Stop de persen: Amerikaanse wetenschappers hebben een virus gevonden dat opvallend vaak voorkomt bij mensen met het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Biedt dit virus dan eindelijk een biologische verklaring voor de ziekte, waarvan patiënten nu vaak te horen krijgen dat hij ’tussen de oren’ zit?
Je zou het haast denken, want de ontdekking staat vandaag in Science, een van de hoogst genoteerde wetenschappelijke tijdschriften ter wereld. Onderzoek dat de kolommen van dit blad haalt, is doorgaans keihard en op alle mogelijke manieren gecheckt.
Een virus dus. Om precies te zijn: het XMRV-virus, verwant aan een virus bij muizen. Drie jaar geleden is het voor het eerst waargenomen bij de mens, bij mannen met prostaatkanker. Dit bracht de Amerikaanse onderzoekers ertoe om ook patiënten met het chronisch vermoeidheidssyndroom op de ziekteverwekker te controleren.
Met een DNA-test keken de deskundigen bij honderd patiënten of het virus in hun bloed zat. En jawel, 67 procent bleek besmet. Ook tweehonderd gezonde personen werden getest. Bij hen vertoonde maar 3,7 procent sporen van XMRV. Het virus lijkt dus iets met de ’onverklaarbare’ vermoeidheid te maken te hebben, schrijven de onderzoekers, al erkennen zij dat ze nog lang geen oorzakelijk verband hebben aangetoond.
De geschiedenis pleit niet in hun voordeel, reageert Jos van der Meer, hoogleraar interne geneeskunde in het Universitair Medisch Centrum St Radboud in Nijmegen. Hij doet al bijna twintig jaar onderzoek naar CVS. De ontdekking heeft voor hem een hoog déjà-vu-gehalte. „Al eerder hebben wetenschappers van de daken geschreeuwd dat ze de oorzaak van het chronische vermoeidheidssyndroom hadden gevonden. Meestal ging het om een virus. Maar als je het goed uitzocht, en dat deden we hier, dan bleef er niets van over.”
Halverwege de jaren tachtig trok als eerste verdachte het Epstein-Barr-virus voorbij, bekend van de ziekte van Pfeiffer. Daarna volgden enterovirussen, de bacterie mycoplasma fermetans en het herpesvirus. De gemelde besmettingspercentages, net zo hoog als die van nu, bleken steevast terug te voeren op vervuilde preparaten. Er zat iets tussen de snijmachine waar de microscopische weefselplakjes op waren gesneden. Of de hypergevoelige DNA-test was besmet geraakt, wat soms ook bij forensisch onderzoek misgaat.
De nieuwe studie kan volgens Van der Meer op zo’n zelfde fout berusten. „Alle monsters komen uit één vriezer. Waarom heeft Science geen extra controle geëist uit een ander lab? Nu zijn ze over een nacht ijs gegaan. Ik zie de patiënten hier straks al weer op de stoep staan om te vragen of wij hen op dat virus willen testen. Maar daar is het nog veel te vroeg voor.”
Een bijkomende vraag is hoe 3,7 procent van de gezonde mensen het virus bij zich kan dragen zonder moe te zijn. Kennelijk vormt het virus alleen niet het hele verhaal.
Ondanks zijn scepsis gaat ook Van der Meer nu oude preparaten testen. Vermoedelijk valt het virus dan door de mand, maar dat hoeft niet. „Als het virus echt een rol speelt, is dat een geweldige doorbraak. Nu behandelen we patiënten nog met cognitieve gedragstherapie, straks misschien met virusremmers, net als hiv-patiënten.” Die middelen staan helaas wel bekend om een vervelende bijwerking: moeheid.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.