Het verwijt dat de navelstaarderige Nederlandse literatuur zich ook nog eens hoofdzakelijk binnen de Amsterdamse grachtengordel afspeelt vindt schrijver Marc Reugebrink oneigenlijk. „Ik geloof dat wat we wereldliteratuur noemen haar kracht juist ontleent aan het feit dat de auteurs dicht bij huis zijn gebleven.”
Vorige maand stond in dit katern een stuk van publicist Rien Fraanje onder de titel ’Weg uit Amsterdam’. Fraanje begint met een verwijzing naar zowel Thomas Vaessens’ ’De revanche van de roman’ als naar het ’Manifest voor een riskante literatuur’ van Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer, om vervolgens de beschuldigende vinger te wijzen naar de schrijvers (en dichters) die in hun boeken te veel op zichzelf gericht zouden zijn. Dat weten we nu wel. Nieuw is dat Fraanje zijn klachten aanvult met een geografisch argument. Uit de romans die hij als voorbeeld geeft, zou blijken dat „de culturele elite zich veilig heeft verschanst in de binnenring van het vrijzinnige Amsterdam”. Hij pleit „voor literatuur die zich in een andere stad afspeelt dan in de stad waarin ze is geschreven” en voor „een moratorium van tien jaar op literatuur die zich afspeelt in Amsterdam”.
Als zelfverklaarde provincialist (als dat woord bestaat) zou me dit deugd moeten doen. Ik heb zelf al vaak – te vaak naar de mening van hen die er wonen – de grachtengordel met zijn zelfverklaarde kosmopolitisme, navelstaarderij, particularisme en zijn, in feite, internationale isolement als het gaat om de ontwikkelingen die elders van belang worden geacht, ter discussie gesteld.
Maar hoewel ik natuurlijk ook wel de raillerende ondertoon in Fraanje’s artikel zie, heb ik dat nog nooit in verband gebracht met waar een roman zich zou afspelen. Ik geloof dat wat we wereldliteratuur noemen haar kracht voor een niet gering deel juist ontleent aan het feit dat de auteurs dicht bij huis zijn gebleven. Márquez over New York wil ik niet per se lezen, en Auster over Colombia eigenlijk ook niet. Hugo Claus’ ’Het verdriet van België’ heb ik streekliteratuur van de allerbovenste plank genoemd, en daarom in niets gelijkend op wat door de literaire goegemeente, en ook door mij, met minder nobele bedoelingen ’streekliteratuur’ wordt genoemd. Dat ik dat laatste boek tot de wereldliteratuur reken, heeft juist alles te maken met het streekgebonden karakter ervan, zoals dus ook geldt voor Márquez, Auster, Joyce, Pavese, Flaubert – enfin, voor alle grote schrijvers.
Nu bedoelt Fraanje met Amsterdam nog wel net iets meer dan alleen de stad zelf. Hij doelt wel degelijk op de daar heersende mentaliteit. Maar als ik dan zie wat zijn voornaamste bezwaren zijn, kan ik alleen maar concluderen dat ze uit precies diezelfde mentaliteit voortkomen. Mij is het iets te gemakkelijk om de schrijvers verantwoordelijk te maken voor het feit dat niemand – ook niet binnen de culturele elite die nu zelf de klacht formuleert, en al helemaal niet binnen de literaire elite – bereid is om literatuur als maatschappelijk relevant te lezen. Engagement wordt bij Vaessens, bij Harmens en Pfeijffer, bij vrijwel iedereen die de afgelopen decennia heeft gevraagd om ’meer straatrumoer’, steevast ingevuld op journalistieke wijze. Smokkel een allochtoon in uw proza en gij zult geprezen worden; besteed een alinea of wat aan de milieuproblematiek; heb het, kortom, over ’de’ wereld, en wij zullen u bevorderen tot de rangen van hen die wérkelijk relevant en, niet te vergeten (woord uit de grachtengordel) ’urgent’ proza produceren. Dat ’de’ wereld hier meestal de wereld is zoals die door de media wordt voorgesteld en dat die voorstelling alleen volgens journalisten zelf ’objectief’ is (een woord dat trouwens weer een enorme opgang maakt), weten waarschijnlijk alleen diegenen die ook wel eens literatuur lezen.
Het punt is dus veeleer dat de roep om meer engagement zoals ze nu opklinkt typisch een beslommering is van de in zichzelf verzonken culturele elite. (Zoals voorheen ’de vermenging van hoge en lage cultuur’ naar voren werd geschoven als een ernstige relativering van het elitaire karakter van kunst in het algemeen – terwijl die vermenging in werkelijkheid een fetisj was en is van enkel en alleen de hoogculturele elite.) Het is een elite die al geruime tijd met zichzelf geen blijf meer weet. Ze is zozeer het roer kwijt dat ze lijdt onder angst voor haar eigen elitisme en aan de lopende band pleidooien houdt voor precies het tegendeel van wat ze voorstaat. Ik ken geen grotere zelfdestructie dan die welke heeft plaatsgevonden in de Nederlandse literatuurkritiek na de uitvinding van het zo vrolijk klinkende anything goes: de permissiviteit die alle bloemen liet bloeien, behalve natuurlijk de distelachtigen die níét bereid waren om de ideologische dimensie van literatuur op te geven. Die permissiviteit betekende de facto het einde van de literatuurkritiek zoals we die tot dan toe kenden. If anything goes, nothing happens. Als alles geoorloofd is, is kritiek overbodig en wordt elk niettemin nog uitgesproken kwaliteitsoordeel gratuit.
In een langer stuk over Vaessens’ boek heb ik gesteld dat de roep om engagement – en het daaraan gekoppelde verwijt van het ontbreken daarvan bij ’onze hedendaagse schrijvers’ – nogal ironisch is, omdat ze me bij uitstek ’literair’ lijkt te zijn. In de zin van: enkel op het literaire veld gericht. Vaessens, en zeker Harmens en Pfeijffer, reageren met hun oproep geheel vanuit de literatuur, terwijl volgens mij de oplossing eenvoudiger is. Lees literatuur zoals ze door de meeste van ’onze hedendaagse schrijvers’, ondanks de verwijten, wel degelijk wordt geschreven: als betrokken op de ons omringende werkelijkheid.
Literaire discussies die ertoe doen, gaan niet over de vraag of gedichten toegankelijk dan wel ontoegankelijk moeten zijn (óók Pfeijffer: ooit heraut van moedwillig duister geschrijf, nu scheepstoeter van gevaarlijke helderheid – enfin). En ze gaan ook niet over de vraag of er wel voldoende allochtonen in voorkomen, of de Twin Towers er wel in zijn ingestort. Literaire discussies die ertoe doen gaan over de werkelijkheid zelf. Literatuur vernieuw je niet door na de toegankelijkheid de duisterheid op te voeren en daarna weer het lichte en luchtige, en ook niet door een onderwerpskeuze die nu eens meer, dan weer minder gericht is op de politieke actualiteit. Literatuur vernieuw je door een kijk op de werkelijkheid die anders is. Anders dan die van de media, anders dan die van de wetenschap, voor mijn part anders dan die van de literatuur daarvóór.
Of we daarvoor ’weg uit Amsterdam’ moeten, is niet zo’n heel erg interessante vraag. Een spreidingsbeleid voor uitgeverijen zou misschien zo gek nog niet zijn om de inteeltsfeer die er binnen de grachtengordel hangt eindelijk eens te doorbreken. En misschien moeten de boekenbijlagen in hun huidige vorm gewoon verdwijnen: ze versterken de indruk dat de literatuur een reservaat is dat met de rest van de in de krant besproken zaken niets of weinig te maken heeft. Maar dat is allemaal van secundair belang.
Wat in ieder geval niet moet is: roepen om engagement in de literatuur terwijl je tezelfdertijd weigert de literatuur die er is op een geëngageerde wijze te lezen. Je kunt best bezwaar hebben tegen de binnenvettersmentaliteit van sommig Hollands proza, maar dat betekent niet dat die binnenvetters niet schrijven over de (maatschappelijke en politieke) werkelijkheid.
Die binnenvettersmentaliteit heeft misschien wel iets te maken met de onmacht van de politiek, die ons de huidige samenleving als iets noodlottigs voorspiegelt en zo van mensen uitsluitend consumensen maakt. Misschien gaat het hier om het solipsisme van de culturele elite, die zichzelf en de wereld zozeer kapot heeft gerelativeerd dat er geen anders-zijn en geen werkelijke ander tegenover het eigen, alles opslorpende ik meer bestaat. Misschien is zo’n binnenvettersboek daardoor juist heel actueel, laat het bijvoorbeeld het gevaarlijke vacuüm zien waarin populisten als Wilders tot ontwikkeling komen.
Aan dergelijke analyses gaat de bereidheid vooraf om de literatuur te lezen als sowieso betrokken op de ons omringende werkelijkheid – om vervolgens de discussie daarop toe te spitsen.
De avontuurlijkheid die in de literatuur zo node gemist wordt, is vaak ver te zoeken bij hen die haar zeggen te missen. De schrijvers krijgen daarvan de schuld. Ten onrechte. De werkelijke binnenvetters worden zo degenen die het hardst roepen dat de anderen het zijn. Dat is in Amsterdam zo. En elders.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.