*

 

Paardenbijter

Koos Dijksterhuis − 02/09/09, 00:00

Ze blijven soms even op dezelfde plaats hangen, snorrend met hun vleugels. Dan schieten ze een paar meter of decimeter weg. Hun vlucht is hoekig. Het zijn stevig gebouwde libellen.

  • Paardenbijter. (Koos Dijksterhuis)

Dezer dagen zijn ze talrijk. Ze jagen langs bosranden, door tuinen, boven vijvers en sloten. De mannetjes hebben een donker lijf met blauwe vlekken en een hemelsblauwe stuit: het tweede segment achter de vleugels. De vrouwtjes missen dat blauw meestal. De bovenste segmenten op hun rug zijn bruin met gele vlekken, richting staart veranderen ze in zwart met gele vlekken.

Paardenbijters bijten geen paarden, ze bijten andere insecten. Als uw paard onder de vliegen zit, komt een paardenbijter daar graag wat aan doen. Ook bij koeien en andere dieren willen ze dat wel. Maar waarschijnlijk viel ons dat bij paarden meer op. In de tijd dat we ons te paard of in een koets verplaatsten, keken we uit op paardenkop of paardenkont. Daarbij zijn we vanouds meer begaan met paarden dan met ander vee, en dus zal een angstaanjagend uitziend insect ons bij een paard eerder verontrusten dan bij een koe. We noemen paarden zelfs edel en misschien dacht u een paar regels terug wel: een paardenkop? Een hoofd!

Op straat hoorde ik een vader zijn kinderen attenderen op een paardenbijter. „Kijk”, wees hij, „wat een mooie libelle.” Goede vader. Formeel is een libelle geen insect, maar een damesblad, een blad voor juffers dus. Je moet zeggen: libel, maar wie maalt daarom? Het verschil tussen een libel en een juffer is trouwens goed te zien aan de stand van de vleugels. In rust houden libellen hun vleugels gespreid, juffers klappen ze dicht.

mailIcon print |