Baby Hendrikus mag toch bij zijn verstandelijk beperkte ouders blijven, besliste vorige maand de rechter. De kwestie werpt de lastige vraag op: hoe moet de overheid omgaan met zwakbegaafden die een kinderwens hebben?
De vraag of verstandelijk gehandicapten wel kinderen mogen krijgen is ’gewoon onzinnig en discriminerend’, vindt Hans Reinders, hoogleraar ethiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Reinders was betrokken bij een kleinschalig onderzoek naar ouderschap van verstandelijk gehandicapten. Daaruit bleek dat kinderen bij ruim een derde van deze gezinnen thuis kunnen blijven wonen. Een te groot percentage om te stellen dat een verstandelijke beperking alleen reden kan zijn om een kind weg te halen, stelt hij.
Ook bij de gezinnen waar het misliep, een ruime meerderheid, bleek er veel meer aan de hand dan alleen het lage IQ van de ouders. „Geen werk, een laag zelfbeeld, schulden, geen sociaal netwerk. Verstandelijk gehandicapten zijn onevenredig vaak arm.” De stress die armoede geeft: daar komt dat slechte ouderschap vandaan, aldus Reinders.
Des te opmerkelijker dat de ouders van baby Hendrikus zo hard zijn aangepakt door de overheid. Hun kind werd direct na de geboorte bijna een jaar geleden weggehaald en in een pleeggezin gezet. Dit voorjaar mocht hij toch thuiskomen, maar kreeg het gezin wel 24 uur lang camerabewaking in de babyslaapkamer om te zien of het wel goed ging. Vorige maand besliste de rechter dat Hendrikus definitief thuis mag blijven, al was de kinderbescherming het er niet mee eens.
Reinders bestudeerde het dossier van de zaak en kon geen enkele aanwijzing vinden waarom deze ouders het niet zouden redden. „Ze hebben hun zaakjes prima voor elkaar. Er is een sociaal netwerk, ze werken allebei, er is kinderopvang, een keurig huis.”
Dat de kinderbescherming meent dat Hendrikus een te groot veiligheidsrisico loopt, vindt Reinders onbegrijpelijk. „De kinderbescherming lijkt in deze zaak gezwicht voor de algemene maatschappelijke roep om meer overheidscontrole in risico-gezinnen.”
Zo had de vader van Hendrikus, vertelt Reinders, van de kinderbescherming te horen gekregen: wij experimenteren niet met kinderen. Een misvatting, volgens Reinders. „Er is niet één kind dat niet een experiment is.”
De kinderbescherming lijdt onder het zogenoemde Savanna-effect, denkt Reinders. Savanna was een peuter die in 2004 zo ernstig mishandeld is door haar moeder en stiefvader, dat ze overleed. De hulpverlening was actief in het gezin, maar zag de signalen dat het misging niet. De gezinsvoogd van het meisje is daarvoor vervolgd. Die rechtszaak tegen een hulpverlener had nooit plaats mogen vinden, zegt Reinders. „Het is een mijlpaal van ellende.”
De zaak-Savanna heeft een cultureel klimaat geschapen van individuele aansprakelijkheid van hulpverleners, vreest hij. Zij doen heel moeilijk werk in lastige omstandigheden en proberen risico’s nu met dwang te vermijden. Dat werkt niet.
Reinders: „Onze hele samenleving lijdt onder de illusie dat risico’s bij opvoeding zijn uit te sluiten door veel controle. Maar wat verandert er nou als je de controle verscherpt? Daar zijn kinderen helemaal niet bij geholpen.”
In landen als Engeland, Amerika en Australië gaat het denken over de kinderwens van verstandelijk gehandicapten dan ook in een andere richting, stelt hij.
Dat denken begint altijd bij die eerste vraag: mogen verstandelijk gehandicapten kinderen krijgen? Die vraag is irrelevant, want ze krijgen ze. Dan volgt de tweede vraag: onder welke condities mag je als overheid ingrijpen? Om het kind te beschermen probeer je de moeder te beheersen, maar die wordt daar juist dwars van en accepteert de controle niet. Ze gaat hulp mijden en dan is de overheid nog verder van huis.
Dus kom je vanzelf uit op de laatste vraag: welke hulp hebben jullie nodig? „Zo’n opstelling van de overheid geeft een hele andere vorm van energie. Als je met die vraag in een gezin komt, is de kans dat het goed gaat met de opvoeding veruit het grootst.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.