Zoveel domheid op een smalle balk heb ik nog nooit gezien. Zoveel doorzettingsvermogen evenmin. Ik weet niet wat groter is: de domheid van de twee tortelduiven die een nest proberen te bouwen of de frisse moed waarmee ze steeds doorgaan, ook als het niet lukt.
Al weken probeert het stelletje tussen het minnekozen door een nest in elkaar te flansen op een balk, bij mij op de veranda. Dat gaat als volgt: duif komt aangevlogen met een takje in de bek, duif landt op de balk, deponeert het takje. Takje valt op de tegels. Dat herhaalt zich zo’n twintig maal per dag, al wekenlang. Soms pakken ze een takje vanaf de grond en leggen dat weer op de balk. Een keer was de nood zo hoog dat er ook een ei op de balk gedeponeerd werd. Dat ging dezelfde weg. Pats, op de tegels. Om de dag veeg ik met de stoffer een blik vol takjes bij elkaar en kijk er eens naar. Eitje toch? Daar moet ook iemand zonder vleugels een nest van kunnen fabrieken.
Ze zijn nog veel te jong, die tortels, om iets te weten van die twee soortgenoten waar ze me aan doen denken. De duiven van mijn broer. Hij hield ze in een hok en hoopte op een nest vol kleintjes. Groot was de teleurstelling, keer op keer, toen dat niet gebeurde. Een nest kwam er wel, dus daarin waren ze al verder dan de sukkels bij mij op de veranda, maar het bleef leeg. Ik geloof niet dat het Bas en Els, want zo heetten ze, ooit gelukt is om een ei in dat nest te krijgen. Mijn broer was droef als een vrouw die zo graag een kind wil en toch maandelijks bloed ziet vloeien. Daar denk ik steeds aan als ik die twee flikflooiende nietsnutten weer om elkaar heen zie draaien, staart om hoog , trillende vleugels. Jullie zijn net als Bas en Els, roep ik ze toe, en die konden er ook niets van.
Mijn broer had eindeloos geduld. Hij bleef maar hopen dat het op een dag zou lukken. O, wat vertroetelde hij ze, met extra lekker voer en lieve woordjes. De man die bij mij tijdens de verbouwing de badkamer aanlegt, ziet het even aan en weet wel een oplossing. „Plankje timmeren”, zegt hij. Het lijkt me te veel eer. Waarbij komt dat ik ook gewoon een hekel heb aan duiven. Er zijn er te veel van, al is het me een raadsel hoe dat kan, en ze laten alles maar lopen. Stadsratten, noemde iemand ze ooit en dat zijn het. Ik maak, vooruit, een uitzondering voor deze twee koerende en minnekozende types die verder niets klaarspelen. Tja, laat ik het maar zeggen, al schaam ik me ervoor. Niet verder vertellen, maar ik heb ze een beetje geholpen. Ik heb een stuk karton op de balk gelijmd. Een kant ervan wat omhoog gebogen, zodat de takjes daar tegenaan blijven liggen. Het is vooral de herinnering aan mijn broer, en verder niets, die me daartoe gebracht heeft. Dus dat onhandige stel mag hem wel heel dankbaar zijn. Nu ben ik niet iemand die gelooft dat mijn broer ergens vanuit de hemel of waar ook maar toekijkt, of wat takjes opvangt en teruglegt. Dat niet. Het is omdat ik steeds moet denken hoe teleurgesteld hij was en vooral, hoe toegewijd. Ik heb ze een dag met hun kartonnetje met rust gelaten. Ben ’s avonds bij het thuiskomen eens gaan turen hoe het er mee stond, met dat nest. Zag een tortel aan komen vliegen, takje in de bek. Duif landt precies op het karton, vlijt het takje neer. Takje valt op de tegels, naast twintig andere. Ik heb meteen de trap gepakt om erbij te kunnen, ze de nek om te draaien. Dat is niet gelukt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.