500 g bloem (of half bloem/half boekweitmeel), 35 g verse gist, 4 à 5 dl lauwe melk, 2 eieren, 1 tl zout, 100 g rozijnen, 100 g krenten, 50 g sukade. Voor de stroopsaus: 400 g stroop, 75 g boter (in stukjes).
Egbert Roelofs woont in Drenthe, maar het hiernaast vertelde oorlogswinterverhaal speelt zich af in Twente. ’Pork’ kan zowel ’klein kind’ betekenen als een soort koekachtig brood, dat in andere regio’s ook wel ’Jan in de zak’ genoemd werd. Je hebt er dan ook inderdaad een zak voor nodig. De moeder van Egbert gebruikte een uitgewassen katoenen zakje waar graszaad in had gezeten, maar het kan met elke soort katoenen of linnen zak of zelfs een theedoek.
Zeef de bloem boven een grote kom. Verbrokkel de gist en laat oplossen in de lauwe melk.
Maak een kuiltje in de bloem en giet de schuimende gist/melk erin. Voeg de eieren toe en kneed tot een luchtig deeg. Meng ten slotte zout, rozijnen, krenten en sukade door het deeg. Dek de kom af met een vochtige theedoek en laat een uurtje rijzen op een warme plek.
Dompel een katoenen zak of theedoek in warm water, wring goed uit en bestrooi de binnenkant met wat bloem. Doe de deegbal erin en knoop de zak dicht. Niet te strak, het deeg moet nog kunnen rijzen. Leg een omgekeerd schoteltje in een diepe pan vol met water.
Breng het water aan de kook en leg de zak op het schoteltje. Doe het deksel op de pan en kook de pork in ongeveer anderhalf uur gaar.
Controleer de gaarheid door erin te prikken met een satéstokje of breipen, die moet er schoon en droog uitkomen.
Serveer de pork in dikke plakken met warme stroopsaus erbij. Verwarm daarvoor de stroop (pas op, niet laten koken) en roer de stukjes boter erdoor tot het een mooie gladde saus is.
Volgens Egbert werd pork ook gegeten in combinatie met gebraden worst. En daarmee is de cirkel rond, want bij het woord pork denk ik automatisch steeds aan de Engelse term voor varkensvlees.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.