*

 

Bemin de passie die je sloopt

Peter Henk Steenhuis − 02/05/09, 00:00

In dit negentiende gesprek over poëzie en filosofie legt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer een gedicht van Chr. J. van Geel (1917-1974) naast een van Anneke Brassinga (1948). „Toch vind ik de zeggingskracht van dit tweede gedicht groter.”

’Het gedicht van Chr. J. van Geel stáát als een huis”, zegt de filosoof Theo de Boer. „En het gedicht van Anneke Brassinga staat als een gekkenhuis. Ik wil ze met elkaar vergelijken omdat Brassinga de openingszin van Van Geels gedicht als kop boven het hare heeft gezet. Dat heeft ze doelbewust gedaan.”

Waarom staat het gedicht van Van Geel zo stevig?

„Het fluiten van de vogels klinkt hier als het wetten van de klewang. De zon is een triomferende krijger, hij maakt het oergebaar van de overwinnaar die geheel voor goud gaat. Dit is een statement over de staat van de natuur, welsprekend geformuleerd. Het is bekend dat Van Geel helderheid nastreefde. Dit gedicht zal hem met trots vervuld hebben.”

Maar waardoor is dit gedicht zo helder? Door de vorm, de klank? Zijn het de beelden?

„Alle drie. De helderheid heeft allereerst te maken met de opbouw. Je ziet direct dat de strofen telkens een regel verminderen, van vijf regels, via vier, naar drie. Dan de klank. Elke strofe wordt bijeengehouden door zijn eigen assonantie. De eerste heeft acht lange o’s; het gaat hier over vogels die floten. De tweede strofe heeft vijf korte o’s: het onderwerp is de zon. De derde gaat over barbaarse praal en een gapende warme muil, en heeft drie lange a’s en drie korte. Die klanken dragen de helderheid. En door de beelden rijzen er krachtige, omlijnde gestalten voor ons op: de vogels, de wolken, de zon die zich onstuitbaar verheft.”

Een goed gedicht is toch ook complex en ambivalent?

„Er schuilt inderdaad een adder onder het gras, en wel in de eerste regel. ’Ik droomde, het was de waarheid’, kun je op twee manieren lezen. Er staat: ik heb iets gedroomd en dat is de waarheid. Of er staat: ik droomde dat iets de waarheid was.”

Bij die tweede interpretatie zou je kunnen zeggen: ach, het is maar een droom, en wat stelt een gedroomde waarheid nou voor?

„Die interpretatie lijkt vreemd, het hele gedicht wekt een gedecideerde indruk. Aan de andere kant: waarom staat er dan ’was’ en niet ’is’? Als je zo zeker bent van je zaak, kun je toch zeggen dat die droom de waarheid is?”

Laat de dichter met opzet beide lezingen open?

„Waarschijnlijk wel. De drie strofen bevatten op het eerste gezicht nogal stellige beweringen. Dat bereikt Van Geel door het zeer geringe aantal werkwoorden dat hij gebruikt. Dat maakt het gedicht kortademig, en daardoor stellig, bijna dictatoriaal.”

Zoals de natuur zelf is.

„Precies. In dit gedicht zit verzet tegen de scheppende, koesterende opvatting van de natuur. Die opvatting is lang dominant geweest. In psalm 84:12 staat: ’Want een zon en een schild is/ de ENE, God.’ Bij Vondel is de zon nog de geest, het leven, en ’Het hart, de bronaâr, d’oceaan/ En oorsprong van zo vele goeden’. En de filosoof Immanuel Kant citeert ergens met instemming een dichtregel waarin de opkomst van de zon vergeleken wordt met de manier waarop een deugdzaam mens rust uitstraalt. Dit gedicht van Van Geel is een afrekening met het klassieke beeld van de zon als schenkende schepper. De zon is, weten we nu, een nucleaire hel.”

Maar we zijn er nog niet uit of de waarheid van die afrekening gedroomd is.

„Sterker nog, ik heb de indruk dat die dubbelzinnige openingszin ook op de andere coupletten slaat. Dat blijkt uit de klank, die zowel een lange o als een lange a bevat. Dit maakt alle coupletten enigszins ambivalent.”

Waarom wil hij die waarheid verzachten?

„Verzacht hij haar? Of laat Van Geel zien dat we die waarheid eigenlijk alleen in een droom onder ogen kunnen zien? Dat we die waarheid zullen willen blijven ontduiken? Ik moet nu denken aan het konijn, het zachtmoedigste dier uit mijn jeugd, dat met Kerst werd opgediend. Mijn moeder kon er evenmin tegen. Daarom aten wij het konijn van de buren en omgekeerd. Ook dat is naïef. Wij leven vaak in een naïeve droom, maar wel een die iedereen droomt en die we ook niet zijn vergeten. Dat te erkennen vergroot het realiteitsgehalte van Van Geels gedicht.”

Er duikt ook een konijn op in het gedicht van Anneke Brassinga.

„Waarschijnlijk schiet het kerstkonijn me daarom te binnen.”

Hoe staat het hier met de droom en de waarheid?

„Brassinga gebruikt de openingsregel van Van Geel als titel. Maar ze begint de eerste strofe met drie puntjes, waar je natuurlijk ook die titel moet invullen: het ik droomt dat het de waarheid is dat hartstocht consumeren is, de koopjesjacht.”

Wat betekent dit?

„Consumeren is een vorm van collectieve verslaving. Het werkt als een natuurwet. In zoverre gaat het hier, net als in het eerste gedicht, toch ook over de natuur. Consumeren is het eigenbelang volgen, het einde van de humanistische idee van de autonome zingeving en in zoverre de triomf van het Kapitaal. Het Kapitaal trekt aan alle touwtjes, zoals de zon, onzichtbaar achter wolken van verbeelding. Ook de kapitalist is een slaaf volgens Marx. Daar mag wel eens aan herinnerd worden nu al die arme bonustrekkers van alles de schuld krijgen. Ook zij moeten bevrijd worden, met harde hand.”

Gaat het bij Brassinga dan niet eerder over de samenleving dan over de natuur?

„Nee, zo marxistisch lees ik het niet. Maatschappijkritiek is niet de inzet. De koopjesjacht is eerder een metafoor voor de problemen van het ik, voor de macht die de hartstocht uitoefent over de wil. Het tafereel is niet de markt maar de eigen kamer.”

Het gaat er heftig en hectisch aan toe in die kamer.

„De suizende stilte van de kamer verandert in een krakend tumult. Het beeld van de hellepaarden doet aan een dolgeworden kermis denken. Strijdrossen die razend tekeergaan. Het is, kortom, keet van binnen.

Je mag dan in het waakleven rusteloos op zoek zijn naar rust, naar beschutting en houvast, naar happinez, maar bedenk: onder die stormen van het verwoestend gemoed, is er nog de lust die met harde hand regeert.”

Dat is ook geen ’ingetoomde wellust’.

„Dat is de parallel met het eerste gedicht. Maar er zijn ook interessante verschillen. Opvallend is dat er overdag gedroomd wordt: „’t was dag” staat er in de derde regel. Bij Brassinga breekt niet de dageraad aan van het stoere, strijdlustige ego. Bij haar ontmoeten we eerder een dromerig, poëtisch type. De dag wordt onderbroken door de slaap waarin de waarheid gedroomd wordt en wel de waarheid over de toestand van het ik in de staat van wakkerheid.”

Slapen en waken houd ik niet meer uit elkaar.

„Slapen en waken zijn hier ook niet keurig gescheiden. De droom is een dagdroom. Er is ook veel meer wanorde dan bij Van Geel. Er zijn geen duidelijke winnaars. Geen helden, wel herrie. Ik lees hier, anders dan in het vorige gedicht, ook geen mogelijke twijfel aan de waarheid van die droom. Wat hier gedroomd wordt, zo is het gesteld met ons leven.”

Wat zegt haar droom dan over het leven?

„Deels hetzelfde als Van Geel: de natuur is niet koesterend maar wreed. Ze zegt dat ook letterlijk in de vierde en vijfde strofe: ’blijkt zelfs in droom er geen bevroeden meer// hoe wilde dieren waren lief en loom, verzadigd’.

Deze droom maakt een einde aan een andere, aan de droom van de lieve en lome dieren. Goethe vertelt ergens in ’Dichtung und Wahrheit’ hoe hij zich in gezelschap liet ontvallen dat de muggen in het Rijnland niet door een goede God geschapen konden zijn. De vader van zijn vriendin Friederike Brion, een dominee legde daarop uitlegt dat de muggen vóór de zondeval niet staken maar alleen een aangenaam gezoem lieten horen. Zo dacht ook de goedmoedige bakker uit ’In de Soete Suikerbol’ van W. G. van de Hulst over de lief fluitende vogeltjes. Maar het sprookje is uit. Ik geloof er graag in, nog steeds, maar het mag niet meer. Ik moet nu in Van Geel en Brassinga geloven.”

Brassinga is wel een stuk minder helder dan Van Geel.

„Toch vind ik de zeggingskracht van dit tweede gedicht groter. Dat moet ook wel: ons bestaan is zwakker dan dat van die pralende zon, daarom moet het gedicht krachtiger, sterker zijn.

Brassinga zet de poëtische middelen veel krachtiger in dan Van Geel. Haar gedicht heeft veel rijm en vooral binnenrijm. Dat binnenrijm – jacht/kracht, dag/slag, wrong/sprong – kit de regels en coupletten hechter aan elkaar dan de assonantie dat bij Van Geel doet. Er gaat een dwingende geluidsgolf door het gedicht naar beneden, naar de onderste grond van de hartstocht. De vele oe-klanken dragen bij aan een sfeer van broedend onheil.

Dit valt op omdat Van Geel zo anders te werk gaat. Als Brassinga’s gedicht ’staat’, staat het als een gekkenhuis of als de binnenkamer van een gek. Het stort in, de lezers in zijn val meeslepend. ’De hartstocht zal weer jagen gaan, in het bange hart de weerhaak slaan.’”

Maar de slotsom is: vrees niet.

„Je zou, gezien de situatie, inderdaad verwachten: Vrees! Maar dan rijst onmiddellijk de vraag: willen we een wereld zonder hartstocht? Willen we terug naar het paradijs? ’Vrees niet’ lees ik als het devies van de volstrekte levensbeaming zoals dat Friedrich Nietzsche voor ogen stond in zijn leer van de eeuwige wederkeer. De hartstocht moet beleden worden mét haar onrust, waanzin en ondergang. Bij Van Geel zag ik nog een mogelijkheid van heimelijke twijfel. In dit gedicht wordt de lezer met zo’n kracht meegesleurd dat er geen ruimte meer is voor reserve of scepsis. Er staat wat er staat.”

Wat staat er?

„Er staat: bemin de passie die je sloopt.”

mailIcon print |