Hét symbool van de scheiding tussen het communistische Oost-Europa en het kapitalistische West-Europa, de Berlijnse Muur, viel op 9 november 1989. Maar het eerste gaatje in het toen al roestige IJzeren Gordijn ontstond op 2 mei 1989 in Hongarije.
De ontmanteling van Hongarije’s wachttorens, prikkeldraadhekken en alarmsystemen waren deels praktisch ingegeven: de Sovjets konden geen vervangende onderdelen leveren, die moesten voor veel geld in het Westen worden gekocht. De historische betekenis van het doorknippen van het prikkeldraad op 2 mei werd duidelijk in de zomer. Tienduizenden Oost-Duitsers vluchtten toen door dit gaatje naar het Westen. De Muur had zijn functie verloren.
De man die de lawines van 1989 had veroorzaakt was Sovjet-leider Michail Gorbatsjov. Hij dacht het communisme te kunnen hervormen, maar bezorgde het verkalkte bestel in feite de doodssteek. Ook nam hij expliciet afscheid van Ruslands rol als bewaker van de internationale communistische orde. Op last en met hulp van Moskou waren in Hongarije (1956) en in Tsjechoslowakije (1968) opstanden bloedig neergeslagen. Maar de bejaarde kameraad-dictators moesten het voortaan doen zonder Russische knoet.
Hervormers – van gematigde communisten tot meer radicale dissidenten – kregen de wind in de zeilen. Eind 1989 waren de communistische regimes van Polen, Hongarije, Oost-Duitsland, Bulgarije, Tsjechoslowakije en Roemenië verdreven, of gedwongen tot samenwerking met de oppositie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.