’Ik ben woedend. Solingen, 29 mei 1993. Vijf onschuldige vrouwen en meisjes zijn levend verbrand, alleen maar omdat ze buitenlander zijn. Via deze briefkaart wil ik laten weten dat ik verbijsterd ben.’
In 1993 kreeg bondskanselier Kohl deze briefkaart in veelvoud op de mat, alleen maar omdat hij buitenlander was. Een Duitser, om precies te zijn, maar wel eentje die net zo weinig te maken had met het incident in Solingen als de 1,2 miljoen Nederlandse afzenders. De vraag drong zich dus op, of die echt alleen gemotiveerd werden door bezorgdheid om vreemdelingenhaat, of dat ze hier ook de gelegenheid te baat namen om hun Oosterburen moreel de maat te nemen?
Een ’idiote kaartenactie’, vond historicus Hermann von der Dunk, zelf geboren in Bonn, maar al voor de Tweede Wereldoorlog met zijn ouders naar Nederland gevlucht. „Niet lang daarna waren er in Nederland natuurlijk ook racistische incidenten, wat het des te genanter maakte.” Maar dat Duitsland en Nederland ook in dat opzicht best op elkaar lijken, juist dat heeft voor de kleinere buurman ’iets irritants’.
En dus maken juist zulke gelijkenissen het extra nodig voor Nederlanders om zich nadrukkelijk af te zetten tegen Duitsers, als een manier om de eigen identiteit te benadrukken. Dat gold helemaal tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de Duitse bezetter vooral de verbondenheid tussen Duitsers en Nederlanders probeerde te benadrukken.
Niets had contraproductiever kunnen werken. ’Ons volk ging reeds van de vroege Middeleeuwen af zijn eigen weg en kende reeds een bloeitijd van beschaving en kunst, toen Pruisen nog een nauwelijks ontgonnen gebied met nauwelijks beschaafde stammen was’, brieste het illegale het Parool.
Na 1945 hoefde Nederland niet ver te zoeken naar manieren om zich tegen Duitsland af te zetten. ’In het begin waren de Duitsers poeslief’, leert het schoolboek ’Onder de Duitse hiel’, uitgegeven rond 1960. Dat duurde kort, want ’toen de Duitsers inzagen dat we niets van hen moesten hebben, was geen enkele misdaad hun te groot om ons land te onderdrukken en uit te zuigen’. Nergens worden ’de Duitsers’ genuanceerd: ze zijn geen van allen te vertrouwen.
Frappant is ook een beschouwing uit 1963 van Godfried Bomans over de kinderboeken van de Duitse schrijver Karl May, en zijn karakters Winnetou en Old Shatterhand. In deze twee ’Amerikaanse’ helden herkende hij een universele Duitse ziel, in staat tot ’een vreemde vervoering’. Ze waren daarmee de voorlopers van ’een man met een kleine snor die met de rug tegen de muur van zijn onverzettelijk gelijk u strak in de ogen kijkt. Het geurt hier ook niet meer naar de prairie. Het ruikt hier naar gas.’
Zulke oorlogsmetaforen komen vaak terug in het anti-Duitse beeld. Von der Dunk: „Zelfs in de jaren tachtig, toen de pers behoorlijk evenwichtig berichtte over de Bondsrepubliek. Maar in spotprenten zag je dan toch weer de aloude clichés terugkomen: de hakenkruisen, de helmen en de gestolen fietsen. Zulke visuele dingen beklijven.”
Voor de oorlog waren de Spanjaarden nog de grootste vijand in de schoolboeken. En waren voetbalwedstrijden tegen België zeker zo beladen als die tegen Duitsland. Na de oorlog was het duidelijk wie de hoofdvijand was.
Toch waarschuwt historicus Friso Wielenga, directeur van het Zentrum für Niederlande-Studien van de Universiteit van Münster, dat we de Tweede Wereldoorlog niet té centraal moeten zetten bij een bestudering van een anti-Duitse houding bij Nederlanders. „Nederland wil niet gezien worden als de zeventiende deelstaat”, zegt hij. „De meeste clichés over Duitsers zijn al oud, en werden na de Duitse eenwording van 1871 versterkt.”
Von der Dunk wijst erop, dat het Nederlandse beeld van Duitsland voor de oorlog gelaagd was. Of liever, verzuild. „Liberalen moesten niets hebben van het militaristische Duitsland. Maar in confessionele kringen was de Franse revolutie nog steeds hét spookbeeld. Op Duitsland was misschien wat aan te merken, er heerst wél orde, was de teneur.”
Ook na de oorlog is er geen sprake van een onverdeelde Duitslandhaat. Zo waren er bijvoorbeeld de romans van Simon Vestdijk (’Pastorale 1943’) en W.F. Hermans (’De donkere kamer van Damocles’). In die boeken werd de scherpe scheiding tussen de goede, onverschrokken verzetsstrijders en de lafhartige vijand met enige ironie in twijfel getrokken.
Daarnaast werkten Duitsland en Nederland op politiek niveau steeds nauwer samen, zegt Wielenga. „Het Duitslandbeeld verschilde in Nederland per regio. De grensstreek, waar men in het echt met Duitsers te maken had, was veel minder negatief.”
De opinieonderzoeken die Wielenga bestudeerde, laten een snel toenemende tolerantie voor Duitsers zien. In 1947 stond 29 procent van de Nederlanders ’vriendelijk’ en 53 procent ’onvriendelijk’ tegenover het Duitse volk. In 1971 was dat 86 procent vriendelijk, en slechts 12 procent onvriendelijk.
Von der Dunk herinnert zich nochtans dat de Duitslandhaat in de jaren zestig behoorlijk opflakkerde, bijvoorbeeld rondom het huwelijk van Beatrix en Claus. „Die richtte zich in linkse kringen wel vooral op de Bondsrepubliek, dat was de erfgenaam van het oude Duitsland. De DDR werd gek genoeg met veel meer sympathie bezien.”
Hoe lang houdt een oorlogstrauma stand? Duitsland schrok toen in 1993 uit een enquête van Instituut Clingendael bleek dat Nederlandse jongeren, die de oorlog nooit hadden meegemaakt, nog steeds een uitgesproken negatief beeld van Duitsers hadden. Dat was een paar maanden voor die Solingen-actie.
Wielenga meent desondanks dat de betrekkingen inmiddels ’genormaliseerd’ zijn. „Dat wil niet zeggen dat er geen gevoeligheden meer zijn: dat is normaal tussen buurlanden.” Maar de oorlog behoort wel tot het verleden, denkt hij. Hij vergelijkt het staatsbezoek van bondspresident Von Weizsücker in 1985, met dat van de huidige Duitse president Köhler in 2007. Dat eerste bezoek lokte allerlei commentaren en beschouwingen in de media uit, het bezoek in 2007 voltrok zich buiten het blikveld van diezelfde media.
Onlangs stelde de oudheidkundige vereniging van het Gelderse plaatsje Wehl voor om ook de Duitse gevallenen op het plaatselijke oorlogsmonument te beitelen. Dat plan ging niet door, na een stroom emotionele reacties. Zijn we dan toch nog een beetje verkrampt? Wielenga: „Dat denk ik niet. Dat landen zich gezamenlijk bezinnen op de oorlog is zinvol. Maar ik kan me voorstellen dat er situaties zijn waarin je niet per se hand-in-hand wil gaan staan bij een vlag die halfstok hangt. Dan komt er een pathetiek in, die een beetje geforceerd is.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.