’Duitsers zijn beleefder dan Nederlanders”, zegt Annemieke Akkermans. „Ze zijn voorkomender in de omgang, houden rekening met anderen. En ze zijn niet zo grof en lawaaierig als de Nederlanders. Dat merken mijn kinderen ook. Wanneer ze in Nederland in de trein zitten, fluisteren ze tegen me: kijk, mamma, die zit met zijn schoenen op de bank.”
Akkermans (42) woont nu acht jaar in Berlijn. Ze is dol op de stad, kent die al vrij lang. Als kind kwam ze er met haar ouders, ze heeft familie in Berlijn, een oudoom die na de oorlog voor het Rode Kruis naar Duitsland ging is er met een oorlogsweduwe getrouwd. „Mijn ouders hebben mij nooit geleerd dat Duitsers niet deugen, ook al zat mijn opa in het verzet.”
Ze ging lesgeven op de internationale school van haar zoon. Daar stuitte ze op de Duitse bureaucratie. „Als je eens wat anders wilde doen, liep je vast in eindeloze vergaderingen en procedures.” En ze ontdekte nog iets: „Duitsers houden niet van kinderen. Die worden verbannen naar crèches, speelplaatsen en scholen, en in restaurants vinden ze hen storend.”
Inmiddels heeft ze een dynamische baan bij een Duits-Brits bedrijf dat over de hele wereld projecten organiseert rond ’leren en technologie’. „Een internationaal bedrijf met een open cultuur, waar veel meer ruimte is voor eigen initiatief.” Ook dat is Berlijn: een multinationale stad. In haar wijk in het stadsdeel Schöneberg wonen veel buitenlanders, kunstenaars, homo’s.
Aan de beroemde Berlijnse botheid (’Berliner Schnautze’) is ze inmiddels gewend. „Een grote bek, dat ken ik ook uit de Randstad. Alleen zijn ze daar veel agressiever. In Berlijn gaat achter die botheid vriendelijkheid en menselijkheid schuil. En humor.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.