Drie generaties Nederlanders zijn opgegroeid sinds de Tweede Wereldoorlog. Is een periode van meer dan zestig jaar voor veel gebeurtenissen lang genoeg om in de vergetelheid te raken, dat geldt zeker niet voor ’de oorlog’, zoals ook jongere generaties de periode 1940-1945 aanduiden.
Een neutrale verklaring is dat Nederland sinds 1945 geen oorlog meer heeft gekend. Daardoor blijft de laatste oorlog in het collectieve geheugen.
„Het referentiekader is er nog steeds, al is het wel aan het verbleken”, zegt emeritus hoogleraar geschiedenis Hermann von der Dunk.
Dat er een verband bestaat tussen vrede en aandacht voor de oorlog, bleek kort na de Tweede Wereldoorlog. De angst voor een nieuw gewapend conflict, nu met de Sovjet-Unie, was zo groot dat de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog snel op de achtergrond raakte. Er werd op de geëigende momenten herdacht, maar verhalen over de oorlog bleven binnenskamers.
Volgens historicus Chris van der Heijden was het beeld van de oorlog in de jaren vijftig tamelijk genuanceerd. „Er was geen integrerend perspectief. Er waren te veel verschillende groepen met te veel verschillende verhalen.”
In de jaren zestig kwam daar verandering in. Aan de ene kant was daar Loe de Jong, die als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie een tamelijk zwart-wit beeld van goed en fout in de oorlog schetste. Aan de andere kant kwam toen scherp aan het licht hoe de jodenvervolging juist in Nederland zo omvangrijk is geweest: van de 140.000 joden in Nederland kwamen er 104.000 om het leven. Von der Dunk: „Iedereen wist in 1945 al wat er met de joden gebeurd was. Maar aanvankelijk telde dat niet in de hiërarchie; de eigen oorlogservaring telde zwaarder. Tot de jaren zestig was de holocaust een voetnoot bij de oorlog.”
De oorlog werd meer en meer een moreel ijkpunt, met kritische vragen van de jonge protestgeneratie aan hun ouders: aan wiens kant zij hadden gestaan. Van der Heijden: „Het boek ’Ondergang’ van Jacques Presser over de jodenvervolging was een grote schok voor de naoorlogse generatie. ’Dat jullie dat hebben laten gebeuren’, was het verwijt. Het verhaal van de slachtoffers werd een trauma voor de Nederlandse samenleving.”
Het door De Jong geschapen beeld van goed en fout raakte begin jaren tachtig in wetenschappelijke kring aan het wankelen. In de oorlog heeft maar een klein deel van de bevolking actief verzet gepleegd tegen de Duitse bezetter. De meeste mensen probeerden er uit lijfsbehoud het beste van te maken. In 1995 kon koningin Beatrix tijdens een bezoek aan Israël publiekelijk verklaren dat ’voor de juiste beeldvorming niet kan worden verhuld dat naast moedig optreden ook passief gedrag en actieve steun aan de bezetter zijn voorgekomen’.
De slinger van de beeldvorming sloeg verder door naar wat Von der Dunk anti-heroïsering noemt. Historicus Van der Heijden baarde in 2001 veel opzien met zijn boek ’Grijs verleden’. Op zichzelf was de boodschap niet nieuw, maar „het was het goede boek op het goede tijdstip”. „Achteraf gezien had ik het misschien beter ’Veelkleurig verleden’ kunnen noemen, want ’grijs’ legt de nadruk op de moraal.” Herman von der Dunk, leermeester van Van der Heijden, is het daarmee eens. „Je kunt niet stellen dat alle Nederlanders in de oorlog grijs waren. Negentig procent was anti-Duits en op die basis was verzet tegen de bezetter mogelijk.”
De anti-heroïsering bracht Niod-directeur Marjan Schwegman vorig jaar tot de verzuchting dat ’helden niet langer lijken te passen in het nieuwe, complexe beeld van de bezetting’. Haar pleidooi voor een nieuwe vorm van heldenverering vond weinig weerklank. De genuanceerde visie op de oorlog lijkt stevig wortel te hebben geschoten. Van der Heijden verwacht dat het beeld van de oorlog in de nabije toekomst nog verder zal worden bijgesteld onder invloed van internationale studies en het veranderende perspectief van de dader. „Het zal een heel andere oorlog worden.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.