*

 

Geschiedenis is een vak voor brugpiepers

Door: redactie − 23/05/09, 00:00

Geschiedenis is een vak dat aan brugpiepers wordt ’verkocht’ met het argument dat we er van kunnen leren: ’Dat nooit meer’. Hoe vaak heeft het al geklonken? Toch doet elke generatie eigenwijs dezelfde domme dingen. Een Nationaal Historisch Museum heeft geen enkele zin zolang er niemand ook werkelijk lering trekt uit de geschiedenis.

  • (Trouw)

Joop van der Wal Wijhe

Ik kan niet goed overweg met de vraag van Breedveld wat ’we’ mogen verwachten van een Nationaal Historisch Museum. Wat ík van een Nationaal Historisch Museum verwacht is op de hoogte gesteld te worden van de historische feiten van ons land, die ik (nog) niet ken. Dat is een onzinnige verwachting, want zo’n museum en al die mensen die daar werken weten niet wat ik wel en niet weet.

Misschien moet daarom het museum eerst een chronologie aanbieden aan de bezoeker; dat kan geen kwaad, ook niet voor de ’weter’. Laat daarvoor ook maar eens zo’n gedreven vertellende onderwijzer of geschiedenisdocent opdraven. Bezoekers van het museum zijn al 15 jaar ouder dan toen ze de laatste hebben horen spreken en zullen nu wél met interesse luisteren. Een afdeling verder zou mooi de samenhang tussen de chronologische feiten en de achterliggende betekenis kunnen toelichten; welke invloed heeft een oorlog op een bevolking, wat betekende Willem I voor Drenthe, wat zette de Ramp in 1953 in beweging, ik noem maar wat.

Ik hoor altijd dat ik zover weg woon (Achterhoek) en dat hoor ik van mensen die net zo ver weg wonen als ik (Randstad). Nederland is groter dan de Randstad. Maak gebruik van de centrale ligging van Arnhem en maak gebruik van de betekenis van de stad tijdens de laatste oorlog, een historische immers.

De situering in Arnhem is problematisch. Het is dom om een bos te kappen naast het Openluchtmuseum voor een overigens prachtig gebouw. Over het kappen van bos voor sojaplantages in Zuid-Amerika schreeuwen we moord en brand.

De vestiging bij de historische brug is een parkeerplaats te ver.

Jan Draaijer Aalten

Na een ontspannen meditatie had ik opeens een simpel concept voor ons Nationaal Historisch Museum bedacht.

Laat ons drie ’canontorens’ bouwen. Eén aan de Rijn met daarin het wel en wee van Batavieren, Kaninefaten en Friezen. Eén in de Gooi- en Vechtstreek met de wederwaardigheden van christenen, joden, humanisten, moslims en atheïsten. En een derde toren in een contemporain windmolenpark met virtueel uitzicht op Madurodam. Daarin kan dan volop ruimte worden gegeven aan de visie van de verschillende politieke partijen op ons reilen en zeilen in het verleden, heden en in de toekomst.

De drie torens zouden verkeerstechnisch wel met een metro verbonden moeten worden. Al met al is het dan een typisch Nederlands product met veel educatief charisma en vooral werkgelegenheid.

U ziet, met een beetje fantasie is ons Nationaal Historisch Museum een hemels gerecht met klapstuk!

René Jacobs Amsterdam

Als we de modieuze prietpraat van de directeuren en het geroep achteraf van de politiek laten voor wat ze zijn, is het antwoord op de vraag van Breedveld niet moeilijk.

Een Nationaal Historisch Museum moet de geschiedenis van het land laten zien, vanaf het prilste begin, met de bedoeling alle bezoekers duidelijk te maken hoe het land is geworden tot wat het is. Dat moet het museum doen met een diachronische opstelling, wat hetzelfde is als chronologisch maar wel aan de hand van thema’s, zoals de canon die aanbiedt. Die opstelling moet een semipermanent karakter hebben, zodat die kan worden aangepast aan de tijd en aan nieuwe inzichten in de geschiedeniswetenschap die een ’discussie zonder eind’ is en vooral moet blijven. Daarnaast moet het museum veel ruimte, geld en energie besteden aan het maken van verdiepende en provocerende tentoonstellingen over thema’s, zoals de directeuren die als leidraad voor het hele museum noemen, en op ruime schaal gebruik maken van de nieuwe media. Het lijkt niet de bedoeling een eigen collectie te vormen. Dat is dom, want veel voorwerpen die voor een nationaal museum belangrijk zijn, worden niet verzameld door lokaalhistorische musea en ook niet langer door het Rijksmuseum.

Verder vind ik dat dit museum niet in Arnhem maar in Den Haag thuishoort, vanwege de aanwezigheid van wezenlijke ondersteunende collega-instituten als het Nationaal Archief en de Koninklijke Bibliotheek. De bronnen, de literatuur en de spullen moeten zo dicht mogelijk bij elkaar gehuisvest zijn.

C.H. Slechte, historicus en oud-directeur van een lokaalhistorisch museum Schiedam

Maak haast met het nationaal historisch museum, zodat onze politici de lessen uit het verleden kunnen trekken. Het sluimerend ongenoegen dat na de moord op Pim Fortuyn is blijven bestaan, vindt zijn uitweg bij monde van Wilders en klinkt harder dan ooit tevoren. Men doet nu hetzelfde met Wilders als indertijd met Fortuyn, namelijk blijven roepen dat zijn ideeën abject en racistisch zijn en samenwerking uitsluiten. Dat zal Wilders geen windeieren leggen. Integendeel. De aanhang groeit en de onderlinge solidariteit wordt sterker.

Mocht Wilders hetzelfde lot ondergaan als Fortuyn, dan zijn de rapen gaar en zullen de ware extremisten hun kans grijpen. Door uitsluiting creëert de politiek uiteindelijk zijn eigen monster.

Maak dus haast met het bouwen van het Historisch Museum. Maak geen gebruik van de canon van Nederland, maar reserveer een aparte ruimte voor één van de belangrijkste gebeurtenissen in onze vaderlandse geschiedenis: de moord op Fortuyn. Als er één groep in Nederland enig historisch besef kan gebruiken, zijn het onze politici wel.

Frank Orlemans Tiel

Alleen al het feit dat mensen die met dédain over de geschiedenis praten, tot directeuren van een Nationaal Historisch Museum benoemd worden, spreekt boekdelen over de plaats van de geschiedenis in ons bewustzijn. Hoe anders is het vaak in andere landen. Hans-Dietrich Genscher, de vroegere Duitse minister van Buitenlandse Zaken zei: ’Wer nicht weiss woher er kommt, weiss nicht wohin er geht.’

Zó eenvoudig is het.

Henk Schreuder Bilthoven

mailIcon print |