*

 

Dringend gezocht: botanische illustratoren met veel geduld

Maaike Bezemer − 02/05/09, 00:00

Er zijn nog maar een paar wetenschappelijke plantentekenaars in Nederland. Anita Walsmit Sachs probeert het vak onder de aandacht te brengen. Een waarschuwing is op zijn plaats: natuurgetrouw tekenen vergt heel veel geduld en urenlang turen door een binoculair.

  • Een tekening van Anita Walsmit Sachs. (Trouw)

Er werden 4500 jaar geleden al planten natuurgetrouw nagetekend, getuige de Egyptische piramides. Tijdens de roemruchte VOC-jaren gingen kunstenaars mee aan boord om verre, vreemde plantensoorten vast te leggen. En nog steeds zijn de illustrators belangrijk voor de wetenschap, zegt Anita Walsmit Sachs.

Bij haar werkgever, het Nationaal Herbarium van de Leidse universiteit, zijn 5,5 miljoen specimen verzameld. Maar die plantenresten, vaak gedroogd, zijn natuurlijk veel kwetsbaarder dan tekeningen. Walsmit Sachs: „Regelmatig moet de hele collectie in de vriezer om de herbariumkever te doden.” De inkttekeningen zijn bovendien handiger voor verder onderzoek en onderwijs.

Haar werkkamer hangt en staat vol met kamerplanten. Op de bureaus liggen minder levende delen: gedroogde takken en blaadjes, plat geperste bloemen. Of wat viezige overblijfselen in een potje alcohol. Al die restanten maken meteen duidelijk waarom dergelijke nauwkeurige pentekeningen niet al lang zijn vervangen door foto’s. „Foto’s kunnen best een hulpmiddel zijn, maar absoluut geen vervanging, daar is geen discussie over mogelijk”, zegt Walsmit Sachs ietwat streng.

Wat botanische illustratoren namelijk doen, is prototypes tekenen: de perfecte plant, met al zijn specifieke kenmerken. Gedroogde planten uit het archief, maken ze op papier weer levensecht. Afgebroken en verdwenen steeltjes of knoppen, worden weer zichtbaar. Aangevreten of verdorde bladeren bestaan niet langer. Anita Walsmit Sachs: „Fantasie komt er niet bij kijken. We meten alles na, het moet precies kloppen.”

Dus speurt ze onder een geavanceerde microscoop – de binoculair – naar eventuele littekentjes, ze telt kartels, nerven en bestudeert de beharing. „We zijn getraind om goed te kijken, soms zien we zelfs een afwijking die een bioloog over het hoofd heeft gezien.”

Het enige waarin ze vrij is, is de uiteindelijke opmaak: hoe ze de verschillende plantendelen over het witte vlak verdeelt. „We proberen er een beetje een plezierige bladspiegel van te maken.”

Walsmit Sachs kan vol enthousiasme over haar werk vertellen. „Als je goed kijkt, blijken die details heel verrassend en soms zelfs ontroerend”, vindt ze. „Je beseft hoe mooi alles in elkaar zit. Hoe keurig bloemblaadjes in een knop gevouwen zijn! We hopen mensen eerlijk gezegd ook een beetje op te voeden met onze tekeningen: dat ze oog krijgen voor de natuur. Realistische kunst leert je beter kijken naar je omgeving.”

In een nabij gelegen universiteitsgebouw hebben de illustrators een tentoonstelling ingericht. Het is hoognodig om naar buiten te treden, vindt Walsmit Sachs. Te laten zien dat het vak bestaat en van belang is. „Er wordt steeds minder geld uitgegeven aan plantenonderzoek en dus ook aan ons werk. De Universiteit Leiden is nog een van de weinige instituten die betalen voor wetenschappelijke plantentekeningen: 1,3 banen om precies te zijn. Het zou toch zonde zijn als dit vak teloor gaat?”

In Leiden werkt Anita Walsmit Sachs samen met haar jongere collega Esmée Winkel. Hun leermeester, Jan van Os, is eigenlijk al met pensioen, maar komt nog drie ochtenden in de week assisteren.

Drie jaar geleden heeft Walsmit Sachs al de Nederlandse Vereniging van botanisch kunstenaars opgericht, in navolging van de veel oudere Engelse en Amerikaanse Societies of Botanical Artists, waar ze overigens ook lid van is. De vereniging moet bijdragen aan het behoud van het vak, al komen nieuwelingen niet heel makkelijk binnen. Kunstlievende leden of donateur zijn altijd welkom, maar voor ’werkende leden’ is er een ballotagecommissie. Hun tekeningen worden beoordeeld op technisch vakmanschap, oorspronkelijkheid, zeggingskracht en consistentie.

Een andere manier om geïnteresseerden te vinden, is haar workshop, vier keer per jaar in de Hortus Botanicus van Leiden. Zo heeft Walsmit Sachs ook haar collega Winkels ’gestrikt’. Het is niet bepaald een doorsnee tekencursus. „Vijf dagen, van tien tot half vier. Als je niet gewend bent om te tekenen, hou je dat niet vol”, zegt Walsmit Sachs. „Toen ik nog niet zo bijdehand was om een beetje door te vragen naar tekenervaring, kwam er ook wel eens iemand die de workshop cadeau had gekregen van haar kinderen. Voor die mensen kan het tegenvallen.”

Ook voor profs is het overigens wel eens afzien. Walsmit Sachs lacht: „Natuurlijk hebben we een kromme rug en chronisch pijn in onze schouders, maar daar moet je niet te veel over zeuren.”

In de winterworkshop kunnen de echt gemotiveerden terecht op het Herbarium. Dan worden ze rondgeleid langs de gedroogde plantencollectie en de bibliotheek vol oude boeken en prenten. En werken ze net als Walsmit Sachs en Winkel met de binoculair en in zwart-wit.

Hoe graag ze mensen ook interesseert voor het tekenen, Walsmit Sachs moet wel waarschuwen. „Het is een geweldig vak, maar je moet heel veel geduld hebben, heel nauwkeurig zijn en willen weten hoe de dingen tot in detail in elkaar zitten. Zo vind ik het bijvoorbeeld geweldig om Ikea-kasten in elkaar te zetten.” Soms is een tekening na een dag af, maar het kan ook een week duren. „We turen ons suf door de binoculair.”

Vreemd genoeg zit de natuurtekenares altijd binnen. Zelfs als ze de tulpen uit haar achtertuin wil vastleggen, stopt ze ze liever in een vaas. Binnen waait het immers niet. Ze heeft ook nooit behoefte gehad om – net als haar collega’s in de VOC-tijd – mee te gaan met de wetenschappers. Walsmit Sachs: „Hier op de universiteit bestuderen ze vooral plantensoorten uit Zuid-Oost Azië. Toen ik jonger was, leek me dat wel avontuurlijk, maar inmiddels zie ik vooral de nadelen: met een helikopter gedropt worden op een berg, slapen in een klein tentje in de rimboe, je dagenlang niet wassen. Je wil niet weten hoeveel wetenschappers aan deze universiteit malaria hebben opgelopen. Nee, laat mij maar lekker achter mijn bureau.”

mailIcon print |