*

 

Ik ben gewoon een buienman

arjan visser − 23/05/09, 00:00

Hugo Borst (Rotterdam, 1962) is columnist van het Algemeen Dagblad en Esquire. Daarnaast is hij redacteur van het blad Hard Gras en wekelijks te zien in het NOS-programma Studio Voetbal. Onlangs verscheen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam zijn boek ’Alle ballen op Heintje – jeugdherinneringen’.

  • 'Ik stap die winkel binnen en daar staat Hans Eikenbroek. Hans Eikenbroek! Niet in zijn Spartashirt, nee, met zijn gewone kleren aan.' (FOTO MARK KOHN)

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Nu ben ik een man zonder God, maar in een kwetsbare fase van mijn leven ben ik wel naar Hem op zoek geweest. Ik was een puber: klein, onzeker, gevoelig, geen bijzonder talent voor schrijven of voetballen. Wat moest ik met mijn leven? En ik had nog zo’n eind te gaan – ik zag er vreselijk tegenop. Vooral het idee dat ik het op een dag zonder mijn ouders zou moeten doen, maakte me bang. Ik was erg aan hen gebakken. Ik herinner me dat ik op mijn dertiende met mijn vader en moeder in het vliegtuig zat en zei: ’Als het nu neerstort, zijn we tenminste bij elkaar.’

In die jaren kwam ik meneer Van der Hoeven tegen. Hij was godsdienstleraar bij ons op school. Een man die het licht had gezien en ons ook probeerde te bekeren. In alle klassen, tot mijn zestiende, heb ik met hem te maken gehad. Soms liet hij ons vage foto’s van abortussen zien en kreeg daar later dan weer reprimandes voor. Van der Hoeven sprak de waarheid, daar was ik van overtuigd. Ik stelde me open voor God en als ik panikeerde, hoopte ik dat Hij me zou redden. Ik bad tot God, maar ik hoorde niks. Ik voelde niets. Toen ik al van school af was heb ik mijn godsdienstleraar nog eens thuis opgezocht. ’Ik wil zo graag voelen wat u voelt,’ zei ik. ’Blijven bidden, Hugo,’ antwoordde Van der Hoeven, ’als God een plan met je heeft, komt het vanzelf goed.’”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„We zaten op de eretribune van Sparta, mijn vader en ik. Ik was op een kinderkaartje mee. Met een vlag en een toeter. Na één keer toeteren zei mijn vader zachtjes: ’Zet dat ding nou maar onder de bank.’ Daar lagen zijn sigarettenpeukjes. North State. Ik had ook al eens met mijn vlag gezwaaid, maar de mannen met hoeden hadden boos omgekeken en iemand vroeg of ik niet op de jongenstribune kon gaan staan. Maar ik was zeven, daarvoor was ik nog te jong.

Op een gegeven moment kwam er een matroos aangelopen die mijn vlag voor vijf gulden wilde kopen. Mijn vader zei: ’Doe nou maar.’ Ik verkocht mijn vlag en had onmiddellijk spijt. ’Tja,’ zei mijn vader, ’dan moet je maar weer een nieuwe gaan kopen.’ Zo stond ik de volgende dag met mijn briefje van vijf voor het eerst in de winkel van Hans Eikenbroek en Gerrie Ter Horst. Gerrie Ter Horst, een van de weinige voetballers met een toupet. Zag ik nog eens afvliegen tijdens een kopduel, maar dit terzijde. Ik stap die winkel binnen en daar staat Hans Eikenbroek. Hans Eikenbroek! Niet in zijn Spartashirt, nee, met zijn gewone kleren aan. Dat kon ook nog. Het was mijn moment van ontzag. Die mannen waren mijn helden. Ik verafgoodde voetballers – maar dat doet toch ieder jongetje? Ik zei dat ik een vlag wilde kopen en ik schoof het briefje van vijf over de toonbank. ’Die kosten twaalf vijftig,’ zei Eikenbroek, ’nog even doorsparen, jongen.’”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Iedereen onthoudt mijn uitbarstingen, maar ik kan op televisie ook heel rustig zijn. Luisteren, af en toe een goeie vraag stellen – niks aan de hand. Het hangt van mijn bui af; ik kan echt met het verkeerde been uit bed stappen. Laatst hoorde ik, vlak voordat de uitzending van Studio Voetbal begon, dat Balkenende de dalai lama niet wil ontvangen. De minister-president die zich presenteert als iemand van normen en waarden, buigt voor een land als China. Omdat hij de ’betrekkingen’ niet wil verstoren. Ik verafschuw moralisme, maar ik kan niet ontkennen dat het in mij verankerd zit, dus ik riep meteen: ’Wat een ongelooflijke lafaard, die man!’ Pittige uitspraak, maar het kan erger. Ik had namelijk een goeie bui: ik was volkomen uitgerust van een reisje naar Portugal teruggekomen. Als je het me nu vraagt, zou ik zoiets kunnen zeggen als: Balkenende is een hypocriete christenhond. Je moet soms provoceren, mensen wakker schudden. Kijk maar wat er gebeurt: ik zeg nu tegen jou dat ik Balkenende een hypocriete christenhond vind. De krant wordt gedrukt en vijf minuten later zal mijn mailbox volstromen. Vieze, gore zwerver! Geen niveau! Maar ook: goed dat je dit hebt gezegd. Hopelijk ontstaat er een discussie die er uiteindelijk toe zal leiden dat Balkenende in gaat zien dat het van electoraal belang is om de dalai lama wél te ontvangen. Het klinkt nu te beredeneerd; als ik zoiets roep, is het oprecht. Het komt uit mijn onderbuik en appelleert aan mijn verlangen naar rechtvaardigheid. Dat het er zo fel uitkomt, heeft ook met mijn genen te maken. Ik heb het temperament van mijn moeder. Altijd debatteren, leven in de brouwerij. Haar zusters waren precies zo. Mijn vader was de kalmte zelf. Als hij zich boos maakte, kon je daar niet zo veel van merken. Een grijze, wijze uil. Baken van rust. Een soort Kofi Annan. Ik had graag iets meer op hem geleken.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Op zondagavond, als ik terugrijd van Studio Voetbal naar huis, heb ik een bezinningsmoment. Er valt een spanning -– die je voor een uitzending toch onbewust opbouwt – van me af en een nieuwe week begint. Ik rijd snoeihard, op één stukje snelweg bij Utrecht na waar je strak 120 moet blijven rijden omdat je anders wordt geflitst. Dan weet ik: dit zou mijn vader niet leuk vinden. Hij deed mijn administratie en vond dat ik veel te veel snelheidsovertredingen kreeg. Daar, op dat moment, iedere zondagavond weer, praat ik met mijn vader. Dan zeg ik dat ik van hem hou. Hoe geweldig ik hem vond. En dat ik hem zo mis.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Tien jaar geleden kwam ik voor het eerst bij een psychiater. Ik had allerlei angstjes – vliegangst, claustrofobie, dat soort dingen – en ik had net gehoord dat Charlie, mijn zoon, leed aan PDD-NOS, een vorm van autisme. Natuurlijk zijn we in die therapie bij mijn jeugd begonnen, maar daar was niets te vinden. Zorgeloze tijd. Ik adoreerde mijn vader en met mijn moeder heb ik – omdat we zo op elkaar lijken – wel eens een aanvaring gehad, maar de psychiater, laten we hem Freud noemen, zag geen aanleiding om daar de oorsprong van mijn angsten in te zien. Op een dag was alles wel zo’n beetje besproken. Freud zei: ’Er is niet zoveel met je aan de hand, je mist gewoon wat stofjes.’ Sinds die tijd slik ik een halfje Seroxat per dag om mijn angsten mee te bestrijden, gewoon, zoals je een Rennie neemt tegen maagklachten.

Vorig jaar ben ik weer naar een psychiater gegaan. Mijn lieve vader overleed op 13 augustus en toen ik een maand later nog niet onderuit was gegaan, dacht ik: wat is er mis met mij dat ik niet kapot ga van verdriet? Na een paar gesprekken kwam ik erachter dat het waarschijnlijk te maken heeft met het feit dat mijn vader en ik een afgerond leven hadden. Er was geen oud zeer, er is nooit verwijdering geweest, geen drama. Zijn lichaam was op, de boel was helemaal dichtgeslibd. Als hij de operatie die hem had moeten redden had overleefd, zou hij in een rolstoel belanden; iets was hij absoluut niet wilde. Gelukkig overleed hij na vijf dagen in coma te hebben gelegen.

Ik kom nog steeds mensen tegen die me vertellen hoe mijn vader hen op een cruciaal punt in hun leven heeft geholpen. Persoonlijk advies, financieel advies: hij stond voor iedereen klaar. Het klinkt misschien raar, maar er kleeft niet één enkel smetje aan mijn vader.

Mijn moeder? Eh dit wil ik zorgvuldig formuleren. Ik hou van mijn moeder, maar haar temperament zit haar wel eens in de weg. Ik weet als geen ander hoe dat werkt, maar ik verbeeld me dat ik mijn leven misschien iets beter onder controle heb Laten we het hierbij houden, ze heeft het sinds de dood van mijn vader al moeilijk genoeg. Ik wil je wel iets anders – veel belangrijker - over haar vertellen; daar moest ik aan denken toen we het eerder hadden over het geloof van mijn godsdienstleraar. Toen ik te horen kreeg wat Charlie scheelde, was ik heel erg in de war en vreselijk verdrietig. Gelovigen vinden troost bij God, maar ik vond het bij mijn moeder. Pas toen ik haar zag, kon ik echt huilen. Ze zei dat het allemaal goed zou komen. Het klinkt heel klef misschien, maar ze gaf mij kracht, ze leerde me vechten. En het ís ook goed gekomen met Charlie. Hij is een personality geworden. Ik zie zijn kwetsbare kanten, maar ook zijn humor en zijn zelfvertrouwen. Hij kan heel veel. Dáár moet je naar kijken. Niet naar wat hij niet kan. Het is een Klazien uit Zalk-wijsheid, maar je slaat je er wel mee door het leven.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Tijdens een voetbalwedstrijd wilde ik wel eens een schop uitdelen, of iemand van achteren pakken. Mijn vader vond dat ik me niet zo moest laten gaan. Nadat hij was overleden, namen de jongens van het team die corrigerende rol van hem over. Als ik me weer eens misdroeg riepen ze: ’Je vader! Je vader!’ Dat hielp. Het is ook te kinderachtig allemaal. In mijn zaalvoetbalclubje ben ik de minste speler. Ik hoor erbij – lachen in de kleedkamer, onder de douche, biertje na afloop – maar mijn rol in het veld wordt steeds kleiner. Dat relativeert enorm. Ik heb de wil om te winnen losgelaten en maak me daardoor minder snel boos.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Zes jaar geleden heb ik mijn midlifecrisis gehad. Ik was veertig, twaalf jaar getrouwd en ik werd verliefd op een andere, jongere vrouw. De eerste maanden zagen we elkaar in het geheim, toen heb ik het verteld en ben bij mijn vrouw weggegaan om na te denken over hoe het verder moest met mijn liefdesleven het is moeilijk om hier over te praten hoor, dat begrijp je toch wel? Het heeft een jaar geduurd, ik ben terug bij mijn vrouw en zielsgelukkig, maar zij wordt er niet bijster graag aan herinnerd.

Verliefdheid is een instinker, echt waar. Je bent ziek, niet voor rede vatbaar. Ik denk dat ik ergens wel wist dat het niet kon duren – ik ben trouw in vriendschappen, ik zal niet snel iemand in de steek laten, maar ik was verblind. Het was een moeilijke tijd, echt, het is een ziekte. Maar uiteindelijk zijn we er sterker uitgekomen.

Ik zal mijn vrouw nooit meer verlaten, dat weet ik zeker maar ik geloof niet in monogamie. Mijn vrouw weet dat – ze zal een oogje toeknijpen als Scarlett Johansson langskomt. Luister, monogamie is onnatuurlijk, lariekoek, bullshit. Ik vind het niet vreemd om lust op een puur consumptieve manier te beleven. Ik wil proberen er niet aan toe te geven, maar ik wil tegelijkertijd blijven geloven in de mogelijkheid dat ik aan die strenge, onzinnige regel kan ontsnappen. Al zou het maar eens per jaar zijn – maar dan wel met iemand die er exact zo over denkt. Geen gebroken harten meer. Ik word nooit meer verliefd.”

VIII Gij zult niet stelen

„Elke woensdagmiddag ging ik pikken met mijn Antilliaanse vriendjes. Het was een soort uitje. We stalen allerlei dingen die we helemaal niet nodig hadden. Op een keer werd ik, samen met Carol, gepakt. Ik droeg het tasje waar alles in zat; voor een paar honderd gulden aan spullen. Carol werd meteen meegenomen – vreemd eigenlijk – en ik zou thuis worden afgezet, maar omdat er niemand thuis was belandde ik uiteindelijk ook op het politiebureau. Ik werd als laatste, door mijn vader, opgehaald. Een vreselijke vernedering: zijn vader had dertig jaar bij de zeden- en kinderpolitie gewerkt. Toen hij binnenkwam zeiden ze meteen: ’Bent u niet de zoon van Bastiaan Borst?’ Dat moest hij beamen. Ik kreeg geen slaag, hij maakte zich niet boos. Het enige wat hij zei was: ’Ik ben ontzettend in je teleurgesteld.’ Vreselijk, vreselijk. Daarmee was het meteen klaar. Nooit meer gepikt.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„De voetbalwereld is een leugenachtige wereld. Sportjournalisten worden er vaak van beschuldigd onjuiste informatie te verstrekken, maar dat komt doordat ze voortdurend worden voorgelogen door bobo’s, trainers en spelers. Ik denk dat je als politiek verslaggever veel meer en makkelijker iets aan de weet komt. Het is ook een arrogant wereldje. Ik heb de macht om daar in de krant en op tv tegenaan te schoppen. Dat is nodig want de realiteit is ver te zoeken. Voetballertjes wanen zich God en trainers praten met dedain over journalisten.

Louis van Gaal is daar het beste voorbeeld van. Ik vind het ongelooflijk dat er geen ophef is ontstaan over de klap die hij tegen een NOS-camera heeft gegeven (op zaterdag 18 april, na de mislukte kampioenswedstrijd tegen Vitesse, AV). Dat hij daar mee wegkomt zegt erg veel over de macht die hij zich heeft verworven en de angst die collega-journalisten hebben om hun mond erover open te doen. Ik zal iedere kans benutten om er iets over te zeggen. Louis van Gaal mag laatdunkend doen, journalisten schofferen, collega’s kleineren, maar bij fysiek geweld tegen een cameraman gaat hij over de grens. Hij had met zijn poten van die camera af moeten blijven.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Mijn psychiater geloofde me niet toen ik hem vertelde dat ik nooit jaloers was. ’Dan onderdruk je je gevoelens,’ zei hij, ’ieder mens is jaloers.’ Ik moet het toegeven: hij heeft gelijk. Wilfried de Jong, een vriend van me, doet het nu heel goed met zijn boek over wielrennen (‘De man en zijn fiets’, AV). De oergedachte is: hij staat hoger genoteerd dan ik, maar daarna ga ik snel – dit klinkt vreselijk, maar het is niet anders – in gesprek met mezelf, zet alles wat ik heb op een rijtje en weet dan dat het een bijzonder kinderachtige gedachte is.

Ik heb niet echt een talent, maar ik heb datgene wat ik mezelf eigen heb gemaakt wel ontwikkeld. Ja, goed, schrijven heb ik geleerd, maar op televisie komen, daar hoef je niets voor te kunnen. Het enige wat je erover kunt zeggen is dat ik, net als Van Rossem en Derksen doen, zeg wat ik denk. Mensen houden zich op televisie vaak op de vlakte. Ik niet. Dat heeft ook met zelfvertrouwen te maken. Ik ben een laatbloeier, in alles, maar van de verlegenheid die ik als puber kende is nu helemaal niets meer over. Er zit een stijgende lijn in mijn leven, zowel privé als in mijn werk. Ik ben overtuigd freelancer, van niemand afhankelijk. Ik werk voor het AD, de NOS, Hard Gras, Esquire en nog een paar van die dingetjes. Geen drama, geen tegenslag – maar dat kan natuurlijk zo maar veranderen. Doordat het me voor de wind gaat, word ik als mens ook rustiger. Het lukt me steeds beter om goed te zijn voor anderen. Ik geef liever dan dat ik krijg. Het beeld dat ik van mijn vader heb, het ideaal, komt dichterbij. Ik hoorde mezelf laatst iemand raad geven en dacht: dat zou hij waarschijnlijk precies zo hebben gezegd. Toch zal ik nooit de grijze, wijze uil worden die hij was. Ik ben rancuneus; een kwalijke eigenschap die er helaas niet uit te rammen is. Als iemand kritiek heeft, vind ik dat niet erg, maar onrechtvaardigheid kan ik niet verdragen. Ik wil leren me beter in te houden, maar ik weet niet of dat ooit gaat lukken. Het is ook lekker om het er allemaal uit te gooien. Kalm zijn én schreeuwerig. Ik ben gewoon een buienman. Het is het temperament van mijn moeder hè? Weinig aan te doen.”

mailIcon print |