*

 

Leider met charisma maakt meer kans in ontzuild Nederland

Hans Goslinga − 23/05/09, 00:00

opinie In zijn dagboek 'Het verhaal van een Duitser' schrijft de journalist Sebastian Haffner (1907-1999) dat de massa het sterkst reageert op degene die het minst op haar lijkt.

Normaalheid, tezamen met deskundigheid, kan populair maken, maar peilloze liefde en peilloze haat, adoratie en vervloeking is slechts de buitengewoon abnormale, voor de massa geheel onbereikbare man beschoren, of hij nu ver boven of ver onder haar staat. Dat meen ik waarachtig wel uit eigen Duitse ervaringen te weten, aldus Haffner.

De waarneming zal vermoedelijk enig vervreemdend effect op de Nederlandse lezer hebben, omdat wij het hierboven beschreven verschijnsel nauwelijks van nabij hebben gekend. Sterk charismatisch leiderschap bestond wel, maar bleef zoals bijvoorbeeld Kuyper en Troelstra hebben laten zien, in zijn aanstekelijke effecten voornamelijk beperkt tot de eigen kring. Nederland is nooit een broedervolk geweest, constateerde in de jaren zestig een andere Duitser, de socioloog Ernest Zahn, in zijn boek Das unbekannte Holland, dat hier is uitgegeven onder de titel Regenten, rebellen en reformatoren.

De verzuiling heeft, met andere woorden, in ons land mobilisatie van de massa voorkomen. Maar hoe liggen de kansen voor een leider met charismatische gaven in het ontzuilde Nederland? In 2002 heeft Pim Fortuyn laten zien dat het mogelijk is diep in het, nog altijd op de verzuiling gebaseerde, politieke bestel door te dringen op basis van een sterk persoonlijk leiderschap. Geert Wilders lijkt op weg dat voorbeeld te herhalen of zelfs te overtreffen. In beide gevallen gaat het om figuren die passen in het profiel van Haffner, in de zin dat zij afwijken van het beeld van de gemiddelde politicus of burger.

Bij Fortuyn werkte dat sterk in het voordeel van zijn boodschap dat een ‘nieuwe politiek’ nodig was. In zijn exuberante aanwezigheid verschrompelden polderpolitici als Melkert, Kok en Dijkstal vanzelf tot grijze mannen in grijze pakken. De introverte Wilders is in staat hetzelfde effect te bespelen, ondanks het feit dat hij al twintig jaar een Binnenhof-bewoner is. Hij voert niet alleen oppositie tegen het zittende kabinet, maar zet zich af tegen alle instituties die het bestel dragen. Zijn afwijkende voorkomen en stijl dragen die politiek.

Haffner baseerde zijn boven vermelde waarnemingen in eerste instantie op de sociaal-liberale politicus Walther Rathenau (1867-1922), die bij zijn verschijning als minister van wederopbouw en even later buitenlandse zaken in 1921 ‘de politiek in één klap weer interessant maakte’. De toen nog jonge Haffner beschreef het publieke optreden van Rathenau als een mysterie: een plotseling en onvoorwaardelijk contact met de massa, zintuigen die gescherpt worden, een acute spanning, het oninteressante dat interessant wordt, een gevoel van niet om de man heen kunnen, een onvermijdelijk en hartstochtelijk partij kiezen.

Misschien wel de meest cruciale waarneming van Haffner is ‘dat je opeens voelde dat er politiek werd bedreven’. Toen ikzelf vijftien jaar was, werd John Kennedy vermoord, misschien wel de enige politicus die bij mijn generatie ook dat gevoel losmaakte. De Nederlandse politiek met haar coalitiekabinetten is daartoe nauwelijks in staat; zij brengt polderaars voort, geen charismatische leiders. Alleen Joop den Uyl slaagde er bij het aantreden van zijn kabinet in 1973 in meer dan gewone verwachtingen op te roepen, zoals bij voor- als tegenstanders. Maar zijn inzet, de sociale hervorming van Nederland door spreiding van macht, kennis en inkomen, bleek al snel een te hoge, net als de prijs: bijna twaalf jaar oppositie.

De kernvraag die steeds klemmender boven de Nederlandse politiek hangt, is of het coalitiebestel met zijn cultuur van plooien en schikken en moeizame compromissen stand kan houden in de veranderende samenleving. Rationele argumenten om van dit bestel, dat Nederland in de afgelopen halve eeuw welvaart en vrede heeft gebracht, afscheid te nemen zijn er niet. Wel kan worden vastgesteld dat de ingrijpende veranderingen, zoals de immigratie, spanningen oproepen die zich in dit bestel niet kunnen ontladen.

Dat kan de toevlucht verklaren tot politici die de hartklop van deze tijd scherper aanvoelen, zo goed als ook de weerzin en zelfs de haatgevoelens jegens de ‘oude politiek’. Op hun beurt vluchten de polderpolitici steeds meer in beeldvorming, wat een onechtheid creëert die de politiek haar slechte reputatie bezorgt. Het meest recente voorbeeld: het gespeelde medeleven van de premier met de breuk tussen de Volendamse zanger Jan Smit en het boulevardsterretje Yolanthe.

De inzet van een kabinet kan, zoals de episode-Den Uyl heeft geleerd, niet te hoog zijn, maar het andere uiterste is het zielloze dictaat van het haalbare. Wil de oude politiek niet nog meer terrein prijsgeven aan de gedreven Wilders, dan zal zij dezelfde ernst, overtuiging en hartstocht aan de dag moeten leggen, alsook de vaste wil de boel, inclusief de moslims, bijeen te houden, perspectief te scheppen en richting te geven aan het politieke debat. Misschien is voor alles wel de voorwaarde voor een politiek waaruit ernst en verplichting spreken, dat politici steeds het gevoel voor het tragische behouden - en daarmee is niet bedoeld het liefdesverdriet van Jan Smit.

Haffner schreef aan wijsheid en droefenis die hij in de ogen van Rathenau terugzag diens bijzondere gaven toe. Hij heeft zich afgevraagd waartoe Rathenau’s politiek zou hebben geleid voor Duitsland en Europa, als hij de tijd had gehad haar door te voeren. Hij had die tijd niet. Een half jaar na zijn aantreden werd hij door nationalisten vermoord. De geschiedenis heeft sindsdien laten zien dat politieke keuzen altijd om ernst en overtuiging vragen.

mailIcon print |