*

 

Waarom verdwijnt de kerk? Je blijft erover nakaarten

Bert Keizer − 23/05/09, 00:00

opinie Geschiedschrijving kun je zien als machteloos nakaarten. Machteloos, omdat er geen voorspellende waarde in zit. Het beschrevene is immers al gebeurd. Het gaat in een historische beschouwing nooit over een experiment, in de zin van: áls je vuur bij stro brengt en daar wat water overheen gooit, dán krijg je rook.

Toch is dat onze favoriete manier van geschiedenis schrijven. Over de gebeurtenissen in Duitsland tussen de twee wereldoorlogen bestaat een standaardriedel: bij stijgende werkloosheid, hyperinflatie, onbetaalbare oorlogsschulden, verlies van nationaal eergevoel en een als hinderlijk ervaren minderheidsgroepering, volgt het uitroeien vanzelf. Als u nu zegt: nou, dat weet ik nog niet zo net, dan zegt de historicus: o nee? kijk dan eens naar Duitsland!

De statisticus zal zeggen: dit is onzin, op grond van eenmalige ketens van gebeurtenissen kunnen we helemaal niks concluderen over een eventuele samenhang tussen bepaalde ontwikkelingen. Nee, als we dat zoeken, inzicht in hoe de dingen in elkaar grijpen, dan moeten we dat verrekte interbellum vele malen opnieuw in gang zetten, zoals je een schaakspel vele malen opnieuw kunt beginnen door alle stukken terug te plaatsen op hun uitgangspunt. In het interbellum moet je dan alles en iedereen terugplaatsen naar, zeg 18 maart 1919, en weer het startschot geven. Dit is onzinnig.

Nog onverteerbaarder is de andere mogelijkheid. Geschiedschrijving zonder oorzaak en gevolg, waarin de tijd het enige orde scheppende element is. Dan krijg je ‘en toen en toen’ geschiedenis, door een Amerikaan gekenschetst als ‘one damn thing after another’.

Wie de boel op het punt van rationaliteit strikt schoon wil houden die zal het daar bij moeten laten, vrees ik, maar wij zijn slechts zeer ten dele rationeel en willen dus geen ‘en toen – en toen’, maar ‘vandaar – vandaar’ geschiedenis, waarbij de invulling steeds varieert, bij uiteraard volstrekt gelijkblijvende gebeurtenissen.

Jan Greven besprak afgelopen dinsdag in deze krant de mening van Theo Schepens, godsdienstsocioloog te Tilburg, over de oorzaak van de verdwijning van de katholieke kerk uit Nederland. Want daar moet natuurlijk een oorzaak bij. Schepens zoekt die in de hoek waar ook ik (hoor hem) vind dat hij zich bevindt: het is misgegaan, omdat de priesters de boodschap hebben verwaterd.

Wij maken voor dit nakaarten een omtrekkende beweging bij de allereerste hindernis in deze analyse en dat is de vraag of er iets is misgegaan. Was het nou zo’n verlies dat katholicisme van 1957? Deze laten we zitten en we gaan door naar de priesters die de boel naar de filistijnen hebben geholpen. Eén van de probaatste middelen die hierbij werden toegepast was de beatmis. Het ging in deze merkwaardige rite om een geforceerde ontmoeting tussen twee grootheden.

Aan de ene kant was er een eeuwenoude traditie die gebouwd was op bangelijkheid, nederigheid, hoop, eerbied, heiligheid en vooral op afstand, waar het de plaats van de mens tegenover God betrof.

Aan de andere kant was er helemaal geen traditie, maar brutaliteit, rot op met je nederigheid, wij hopen nergens op en hou toch op over God. In de beatmis vielen deze twee elkaar in de armen met als resultaat een afschuwelijke toestand waarin God getutoyeerd werd en toegezongen als een collega op een dienstjubileum, die op de wijze van ‘Down by the riverside’ zijn overschatte verdiensten in kreupelrijm kreeg opgesomd.

De beatmis bood het ongelofelijke spektakel van een groots oud oorlogsschip dat door een lullig speedbootje naar de sloperij wordt gesleept. En niemand die het zag. Dit kwam allemaal door de priesters die de moed niet hadden om tegenover de Rolling Stones te blijven volhouden dat de Heer waarlijk was opgestaan.

Door de priesters die zich een nieuwe redelijkheid binnen lieten zuigen die onverzoenlijk is met het katholicisme. Het celibaat, de angst voor lichamelijkheid, het eeuwige leven, de transsubstantiatie, de biecht, de drievuldigheid, de verrijzenis enz. enz., de priesters trachtten vergeefs al die onzin te redden door er een schijn van redelijkheid aan te geven, waardoor het leek alsof je nu pas zag hoe onzinnig dat allemaal was.

Een ware doodssteek in deze richting was de muziek van Antoine Oomen op teksten van Huub Oosterhuis. Bedoeld als een vlucht omhoog, weg van het ondermijnende gelazer van de sixties, om boven al het gewoel een nieuwe tent op te slaan.

Mooi werk voor ex-gelovigen met vervolgonderwijs en een antenne voor poëzie, maar eenvoudige lieden als mijn ouders, ooms en tantes, die konden niet mee omhoog klauteren en kwamen jammerlijk om in het ooit zo veilig gewaande dal.

Maar dit is allemaal ingegeven door het gevoel dat mijn ouders onrecht is gedaan doordat de priester zich omkeerde, Nederlands ging praten, hen een ouweltje in handen gaf in plaats van Jezus’ lichaam op hun tong te plaatsen. Ik zoek een schuldige voor deze ommekeer en meen deze in priesters te hebben gevonden.

En toen verdween de katholieke kerk. En dat kwam door de priesters? Ik denk dat ik hier weinig anders op het spoor ben dan de sympathie waarmee ik naar de generatie van mijn ouders kijk.

mailIcon print |