Hoe moet de PvdA omgaan met het populisme van Fortuyn en Wilders, het krachtig bestrijden, of er juist tegenaan schurken? Ideoloog René Cuperus kiest voor de laatste optie: hij geeft de populisten zelfs gelijk, vindt Dick Pels.
Langzamerhand beginnen we te beseffen: het populisme is geen incident. Het gaat niet vanzelf weg, maar is een politiek blijvertje. De uitdaging ervan aan de gevestigde democratie is veel groter en dieper dan aanvankelijk gedacht. Zelfs PvdA-fractieleider Mariëtte Hamer gaf het onlangs toe: „De gevestigde politiek ontdekt nu pas dat ’Fortuyn’ niet meer weggaat, maar zich in verschillende gedaanten voordoet.”
PvdA-denker René Cuperus is een van de weinigen in zijn partij die er van meet af aan voor hebben gewaarschuwd om het populisme te demoniseren of te onderschatten. Het heeft wel degelijk een gevaarlijke, anti-democratische kant, maar moet tegelijkertijd worden gezien als een ernstig te nemen uitdrukking van reële gevoelens van angst en onbehagen: het is tevens een ’alarmsignaal’ of ’rookmelder’ van een onheilspellende representatiecrisis in het politieke systeem.
De wereld is op drift geraakt door de neoliberale globalisering, de versnelling van de Europese eenwording en grootscheepse migratiebewegingen. Naast ongekende mogelijkheden en avontuur produceert deze nieuwe globaliseringsetappe ook grote onzekerheid, angst en onbehagen. Lager en middelbaar opgeleiden worden als obstakel en ballast weggezet in een eliteverhaal over de zegeningen van de meritocratie en de internationale kenniseconomie. Zodoende ontstaat een steeds diepere kloof tussen hoger opgeleide, goedverdienende, optimistische en internationaal denkende moderniseringswinnaars, en lager opgeleide, minder verdienende en pessimistische verliezers, die bescherming zoeken in de nationale democratie en de nationale verzorgingsstaat.
Cuperus slaat groot alarm: wie ervan uitgaat dat iedereen een wereldburger kan en wil zijn, ’loopt het risico een burgeroorlog in eigen land te ontketenen’. De geprivilegieerde elites die de wereld als hun speeltuin beschouwen, begrijpen niet dat zij de thuisblijvers deklasseren tot tweederangsburgers. Het grote gevaar is dat zij de nationale staat achteloos wegredeneren, net op het moment dat zij ’voor velen een laatste strohalm van identificatie is’, ’een baken van vertrouwen in een wereld van flux’. Daarom moet een volkspartij als de PvdA leiding gaan geven aan een ’beschaafd populisme van links’, door zich qua programma, stijl en communicatie meer aan te passen aan haar achterban van ’lager opgeleiden met toekomstangst’.
Populisten zijn gevaarlijk wanneer zij het volk valselijk voorstellen als een homogene entiteit die wordt buitengesloten, onderdrukt en misleid door de politieke elite. Dan lappen zij het pluralisme aan hun laars, stellen de democratie gelijk aan de heerschappij van de meerderheid, en voeden een redeloze angst voor alles wat vreemd is. Dit populisme moet volgens Cuperus hard worden aangepakt: ’tough on populism, and tough on the causes of populism’.
Maar het merkwaardige is dat Cuperus zelf vervolgens heel dicht aanschurkt tegen dit gevaarlijke populisme. Telkens worden de vermeende meerderheidsopvattingen van de Nederlandse bevolking in goedpopulistische stijl vrijwel heilig verklaard. Het aanstootgevende concept van de multiculturele samenleving ziet volgens Cuperus voorbij ’aan de Leitkultur van de grote meerderheid van de bevolking’. Veel migranten willen niet meedoen en koesteren een haatdragende en verachtende habitus jegens de ontvangende samenleving. Er is daarom een „overtuigende aanpassing vereist door immigranten aan de normen en sommige ongeschreven codes van de Nederlandse samenleving”. Integratie is iets anders dan gelijk oversteken: aanpassen moet eerder in een verhouding van ’90 procent tot 10 procent’.
Cuperus doet dus veel méér dan de populisten serieus nemen: hij geeft ze grotendeels gelijk. Hij buigt ver mee met het volkse onbehagen over de effecten van de globalisering, de multiculturele samenleving en de Europese eenwording. De titel van zijn boek is in dit opzicht al meteen een capitulatie. Het is een negatieve bezweringsformule, die mede tot stand brengt wat zij constateert. In plaats van zoveel mogelijk mensen te willen opvoeden tot een beetje meer wereldburgerschap, wordt het kosmopolitisch ideaal meteen onderuit geschoffeld. Zou Cuperus weten dat zijn titel vrijwel letterlijk voorkomt in het programma van Musserts NSB?
Al zijn aandacht gaat uit naar de ’sluipende zelfopheffing’ van onze nationale democratie en de ’verwatering’ van onze nationale identiteit, in passages die zó uit Wilders’ Onafhankelijkheidsverklaring of diens programmastuk ’Klare Wijn’ kunnen worden gelicht. Opvallend is ook Cuperus’ harde kritiek op sociale wetenschappers, die ’ernstige nalatigheid’ wordt verweten, ja zelfs intellectueel ’verraad’ hebben gepleegd door ’uit angst voor reputatieverlies’ niet tijdiger en luidruchtiger te hebben gewezen op de schaduwzijden van de integratie. Terwijl hij elders wel degelijk oog heeft voor de ’tragische ironie’ van de aankomst van buitenlandse gastarbeiders in een crisisfase van de industrialisering, en voor de collectieve schuld van overheden en werkgevers die de overtolligen met vereende krachten hebben gedumpt in de WAO.
Cuperus deelt de (misleidende) opvatting van Fortuyn, Wilders én Marijnissen, dat Europa geen cultuur en volk heeft en daarom nooit een democratie kan worden. De politieke democratie kan alleen bestaan ’bij de gratie van een begrensde republiek van burgers.’ De stadstaat Nederland is blijkbaar de enig denkbare solidaire lotsgemeenschap: ’Mensen zijn en blijven gaullisten’.
Niettemin prijst Cuperus het pleidooi van IMF-voorzitter Strauss-Kahn voor een herverdelend socialisme op bovennationaal, met name Europees niveau. Laat hij dan toch enige ruimte voor een Europees sociaal-kapitalisme? Als hij zelf niet gelooft in de mogelijkheid van democratisering en socialisering voorbij nationale grenzen, wat heeft hij dan in Europa te zoeken?
Het boek van Cuperus toont opnieuw de akelige gespletenheid van de PvdA in haar reactie op het populisme. Als zij haar eigen cultuursocialistische verheffingsidealen serieuzer zou nemen (zoals bijvoorbeeld geformuleerd door wereldburger-bij-uitstek Hendrik de Man), zou zij principiëler vasthouden aan het inzicht dat het nationalisme een helaas noodzakelijk doorgangsstadium is op weg naar een hoger moreel doel: dat van het internationalisme. Het nationalisme biedt alleen de illusie van houvast, zekerheid en zelfrespect: het is na de religie het tweede grote opium van het volk.
De sociaal-democratie is het aan haar traditie verplicht om Europese, kosmopolitische en vrijzinnige idealen hoog te houden, ook al gaan zij tegen het huidige ongezonde volksgevoel in. Inderdaad: zij moet zekerheid en bescherming bieden aan bange en boze strohalm-burgers. Niet door ze de valse geborgenheid voor te spiegelen van de Nederlandse Leitkultur, maar door alle burgers concrete levens- en ontwikkelingskansen te bieden. In plaats van zich te laten gijzelen door toekomstangst en halt te houden bij een kleinburgerlijk zekerheidsideaal, moet zij de moed te hebben om de weg te wijzen naar verder liggende, hogere cultuuridealen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.