*

 

De deugd ziet er goed uit, altijd

Peter Henk Steenhuis − 18/04/09, 00:00

Meer dan een jaar besteedde Trouw wekelijks aandacht aan de deugdethiek. Morgen sluiten we de serie ’Voortreffelijk leven’ af met een symposium van het Soeterbeeck Programma in Nijmegen en de verschijning van het boek ’Voortreffelijk leven – Op zoek naar het juiste midden’. Vandaag blikt Paul van Tongeren, kenner van de deugdethiek, terug: „Het leven wordt mooier en sterker als ik mij train in morele kwaliteiten – die opvatting is afgelopen jaar sterk naar voren gekomen.”

  • De deugd (Anita Huisman)

Wie het woord ’deugd’ in de mond nam, kon decennialang rekenen op opgetrokken wenkbrauwen. Het pad der deugd was voor Vadertje Cats, niet voor vrijgevochten geesten. Uit de interviews en reportages die Trouw afgelopen jaar publiceerde, bleek dat die houding radicaal is veranderd. Of je tegenwoordig filosoof bent of tennisser, theoloog of verpleegkundige, violist, reclasseringswerker, historicus, acteur, dichter, schilder, ambtenaar, hulpverlener, onderwijzer of rechter: de deugdethiek bleek voor hen niet tot een burgermansbestaan maar tot een voortreffelijk leven te leiden.

Paul van Tongeren, hoogleraar ethiek en kenner van de deugdethiek, vond vooral het hedendaagse vertrouwen in het zelfversterkende karakter van de deugd opvallend. „Als ik aan mijn studenten vraag wat moraal is, antwoorden zij: ’Datgene wat je moet doen of laten ten aanzien van anderen’. De algemene opvatting is dat morele kwesties sociaal zijn, waarbij strikte grenzen bepalend zijn voor ons gedrag. Dat ik zelf gelukkig moet zien te worden en dat mijn geluk te maken heeft met morele kwaliteiten, is een opvatting die in de gangbare manier van denken doorgaans van ondergeschikt belang is.

Slechts in een enkel gesprek uit dit boek staat het voordeel van de deugd voor de hele samenleving centraal; verreweg de meeste geïnterviewden spreken over deugden als houdingen die ervoor zorgen dat het je zelf beter gaat. Dan spreekt men niet over een ’zelf’ dat tegenover een ander staat en zijn grenzen moet leren bepalen, maar dat zichzelf moet zien te perfectioneren, uit de overtuiging dat het anderen beter gaat als het mij beter gaat. Het leven wordt mooier en sterker als bepaalde morele kwaliteiten tot bloei komen – die opvatting komt hier sterk naar voren.”

De geïnterviewden stoelen deze opvatting op ervaringsfeiten. Kloppen die ervaringen?

Van Tongeren: „Ik heb onlangs een prachtig boek gelezen van Gabriele Taylor: ’Deadly Vices’, over het dodelijke karakter van de ondeugd. Zij stelt dat de ondeugden het zelf, het innerlijk, aantasten van degene die de ondeugd begaat. Juist onze kern, die we nodig hebben om erbovenop te komen, wordt belaagd door de ondeugd, waardoor we steeds minder in staat zijn onszelf te verbeteren en steeds sneller en steeds meer in de ondeugd vervallen. Zo zou je de ondeugd bijna een kanker kunnen noemen, die de gezondheid niet alleen aantast maar zich ook steeds verder uitbreidt, en vooral: het vermogen om te genezen steeds verder aantast. Omgekeerd kun je zeggen dat de deugd niet alleen een goede eigenschap of houding is, maar ook een eigenschap die je in staat stelt jezelf nog verder te verbeteren.

Om te onderzoeken of deze ideeën kloppen, willen we bij de Radboud Universiteit de vooronderstellingen van de deugdethiek gaan toetsen met gedragswetenschappers, biologen, hersenonderzoekers, pedagogen en psychologen. Klopt wat de deugdethiek beweert wel met hoe wij biologisch, neurologisch, psychologisch in elkaar zitten? De deugdethiek veronderstelt dat de menselijke natuur in aanleg goed is, maar gecultiveerd moet worden om optimaal tot ontwikkeling te komen. Kunnen de moderne wetenschappen iets met de deugdethische gedachte dat in de natuur al besloten ligt wat de perfectie van de natuur zou kunnen zijn? Daar ben ik nu heel benieuwd naar.”

En kunnen die wetenschappen dan ook aanwijzen wat die dodelijke ondeugden dan zijn? Waar de grens ligt tussen deugd en ondeugd?

„Nee, dat zullen ze niet kunnen, en dat past ook niet bij de deugdethiek. De deugdethiek gaat altijd over grenszones. Dat zie je ook bij een van de kerngedachtes van deze ethiek: de leer van het midden. Die wordt tegenwoordig nogal eens versimpeld. Moed is een deugd, zo zegt men, die het midden houdt tussen te veel moed en te weinig moed. Nee, moed is een morele term, die zelf een perfectie is van iets anders dan een deugd, bijvoorbeeld van een emotionele gesteldheid. Bij moed zou dat de angst voor gevaar kunnen zijn, waarbij moed het midden houdt tussen te weinig angst en te veel angst voor gevaar. De deugd bestaat niet uit een statisch midden op een fictieve lijn; de deugd verschilt in tijd, plaats en omstandigheden. Daarom is oordeelsvermogen, ’phronèsis’, ook zo’n belangrijke deugd, want die stelt je in staat te bepalen wat het juiste midden is.

Een spraakmakend gesprek ging over de deugd ’onverschilligheid’. Is onverschilligheid geen ondeugd? Wij kennen de term toch alleen maar in een pejoratieve betekenis? Bedoelde de filosoof René ten Bos niet ’lankmoedigheid’ of ’onverstoorbaarheid’?

„Het aardige van de deugdethiek is dat die een sterk beroep doet op je taalvermogen. Toch denk ik dat René ten Bos met onverschilligheid een mooie beschrijving geeft van de deugd die bij de klassieke Stoa adiaphoria werd genoemd. Wie dankzij zijn oordeelsvermogen verschil weet te maken tussen wat ertoe doet en wat niet, kan zich onverschillig opstellen ten aanzien van wat er niet toe doet.”

Een andere opvallende deugd was traagheid. Ook daarvan kun je je afvragen of het een deugd dan wel een ondeugd is.

„Klopt. In de christelijke traditie is traagheid van geest vaak in verband gebracht met ledigheid, verveling, lamlendigheid: acedia. Deze toestand was een grote bedreiging voor monniken die er tijdens het bidden niet in slaagden zich te concentreren, want in uren van lamlendigheid sloeg de duivel genadeloos toe.

Een filosoof als Friedrich Nietzsche onderkende het gevaar van de ledigheid maar noemde tegelijkertijd Muße een zeer belangrijke deugd – een term die letterlijk vertaald nagenoeg hetzelfde betekent als ’ledigheid’. Je hebt Muße leegte, vrijheid van geest nodig om tot iets nieuws te kunnen komen. Afgelopen jaar verwoordde de filosoof en dichter Renée van Riessen deze gedachte. Zij noemde ontvankelijkheid een belangrijke hedendaagse deugd. Pas als we ons terugtrekken uit de ’opvoeringscultuur’ waarin we leven, kunnen we de juiste openheid bereiken om iets nieuws, iets anders op te merken.

Zo zie je meer oude deugden in een nieuwe gedaante verschijnen. Andere oude deugden lijken echter nauwelijks meer van invloed. Daarbij denk ik vooral aan de theologale deugden, die je niet kunt aankweken door te oefenen, maar waarbij je afhankelijk bent van wat je op een of andere manier toevalt of gegeven wordt, bijvoorbeeld door Gods genade. Deze laatste term kwam ik alleen tegen in een verhaal van Paul Moyaert over de deugd ’barmhartigheid’, waarin naar zijn idee de drie centrale christelijke deugden – geloof, hoop en liefde – samenkomen. Maar in een samenleving die niet meer op het godsdienstige is afgestemd, zo concludeerde Moyaert, kan de deugd barmhartigheid slechts een marginale rol spelen.

Verder sprak alleen de ethicus Gerrit Manenschijn over een theologale deugd: geloof. Als typische protestant draait hij de traditionele betekenis ervan radicaal om: de traditionele katholieke interpretatie is dat de deugden van Aristoteles hun voltooiing vinden in de drie theologale deugden van de kerk. Geloof, hoop en liefde zouden de karakterdeugden van Aristoteles dan naar een hoger plan kunnen tillen, maar dat kunnen we niet zelf, daarvoor zijn we afhankelijk van Gods genade. Bij Manenschijn is het andersom: bij hem stelt het geloof alleen wat voor als het stevig gefundeerd is op de deugden wijsheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en moed.”

Oude deugden in nieuwe jassen. Afgelopen jaar kwamen ook nieuwe deugden aan bod als openheid, flexibiliteit, integriteit, discipline.

„Integriteit lijkt me een belangrijke hedendaagse deugd. In het gesprek met Alain Hoekstra, werkzaam bij het Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector, kwam scherp naar voren dat integriteit er niet uit bestaat je strikt aan de regels te houden. Als voorbeeld noemde hij een agent die als dank voor geboden hulp van een oud dametje een taart aangeboden krijgt. Moet de agent de taart weigeren omdat hij anders omkoopbaar zou lijken? Welnee, wie zich strikt aan de regels houdt, lijdt aan ’blinde rigiditeit’, wat iets anders is dan integriteit.

Ik twijfel of een deugd als flexibiliteit Aristoteles’ goedkeuring zou kunnen wegdragen. Bij Aristoteles is een doorslaggevend kenmerk van de deugd dat hij intrinsiek, in zichzelf goed moet zijn. De deugd ziet er goed uit, altijd. Zoals een kunstwerk niet goed of mooi is omdat het ergens toe dient, zo heeft ook de deugd een eigen kwaliteit. Een werkelijk moedig mens ziet er goed uit. Een vriendelijk mens idem dito. Maar flexibiliteit, is dat in zichzelf iets goeds? Ik twijfel. Je kunt zeggen dat flexibiliteit ervoor zorgt dat we mee kunnen buigen met de omstandigheden, waardoor we niet snel breken. Maar flexibiliteit is zo’n door en door vereconomiseerde term dat hij een eufemisme geworden lijkt voor de totale onderwerping van de werknemer aan de wetten van de managers. Flexibiliteit is dan niet in zichzelf goed, maar is maximale bruikbaarheid in veranderende economische omstandigheden. Wie flexibel is, is beter inzetbaar. Dat kan best, maar daarmee is flexibiliteit nog geen deugd.

Hetzelfde dacht ik bij discipline. Is discipline iets wat in zichzelf goed is? Bij discipline kun je net zo goed aan een IJzeren Hein denken als aan een musicus die dankzij haar discipline een groot violist is geworden. Aristoteles spreekt nadrukkelijk over de zelfbeheersing, enkrateia, die naar zijn idee geen deugd is, omdat zelfbeheersing met geweld gepaard gaat. Iemand die zichzelf moet disciplineren, dwingt zichzelf ergens toe. Iets wat niet vanzelf gaat, wat je niet lachend kunt doen, wat er niet goed uitziet, kan volgens Aristoteles geen deugd zijn. Zolang je bijvoorbeeld nog discipline moet opbrengen om je vriendelijk te gedragen, heb je de deugd vriendelijkheid nog niet verworven.”

Maar kun je een deugd ooit verwerven? Je traint je bijvoorbeeld in vriendelijkheid, maar kom je in een sombere stemming terecht, dan ben je zo terug bij af.

„Of je de deugd volledig kunt verwerven, weet ik niet; maar je kunt er wel minder of meer van terechtbrengen. Waarom zou het belangrijk zijn te weten of we ooit ’klaar’ zijn met het werk van de deugd? Het verlangen om te weten wanneer je ’klaar’ bent, wordt weerspiegeld in het idee dat er een aanwijsbaar begin is: op punt 0 bezit je de deugd helemaal niet en bij punt 100 heb je hem te pakken. Het moderne denken is altijd op zoek naar een begin, denk aan René Descartes, die zijn denken zo lang onderzocht totdat hij bij een eerste zekerheid uitkwam. In de premoderne manier van denken, waar de deugdethiek uit voortkomt, bestaat het begin niet. Het is volgens premoderne denkers een illusie dat we een blanco blad zijn. Onze morele ontwikkeling is al begonnen met het gezin waarin we geboren worden, de omgeving waarin we opgroeien, de samenleving waarin we leven. Wie dit beseft, begrijpt hoe belangrijk de context is waarin we leven.

De deugdethiek gaat ervan uit dat een deugd als zorgzaamheid er geleidelijk, na jaren en jaren oefening langzaam in slijt. Die conditie kon wel eens zeer problematisch zijn in onze tijd, waarin we alles snel in ons bezit willen hebben en ook deugden dankzij een ijzeren discipline wel even onder de knie menen te kunnen krijgen.

Maar inderdaad: ook al is een deugd ingesleten, dan verbaast het ook mij vaak hoe verwoestend stemmingen zijn. Hoe alles wat je geleidelijk aan verworven had, in een klap weer verdwenen lijkt te zijn.

Ik vergelijk dit soms met onze fysieke gesteldheid. We kennen allemaal het verschijnsel dat een miniem virus een gezond lichaam in twee, drie dagen kan ruïneren. Betekent dit dat het streven naar gezondheid zinloos is? Integendeel. Als je conditie slecht is, ben je veel vatbaarder voor een virus dan wanneer je sterk bent. Dat geldt voor fysieke, maar ook voor morele gezondheid. Naarmate je een sterke morele conditie hebt, is de kans dat je door virussen, stemmingen, tegenslagen terneer wordt geslagen geringer. De deugdethiek is dan ook geen garantie voor een voortreffelijk leven, maar brengt het wel dichterbij.”

mailIcon print |