*

 

Wat was hier aan de hand?

Austin Dacey − 18/04/09, 00:00

De Amerikaanse filosoof Austin Dacey woonde onlangs in Genève de tiende zitting bij van de Mensenrechtenraad. Daar raakte hij onder de indruk van de Egyptische activist Hossam Bahgat, die strijdt tegen de discriminatie van bahai’s en andere ’afvalligen’ in zijn land. Anders dan andere mensenrechtenorganisaties kiest die van Bahgat ervoor om zich wél stevig te bemoeien met de sharia. En met succes. Mede dankzij deze strategie hoeven Egyptenaren sinds deze week hun godsdienst niet meer te laten registreren in hun identiteitspapieren.

  • (Trouw)
  • Dit is de ID-kaart van de Egyptenaar Labib Iskandar, een bahai. Tot nu toe kon hij geen nieuwe kaart krijgen, tenzij hij zichzelf als moslim, christen of jood zou laten registreren. (FOTO AP)

Hossam Bahgat had het gedaan. Hij had het woord gezegd dat eigenlijk onmogelijk was om uit te spreken en waarvan velen, onder wie ikzelf, vreesden dat het nooit meer gezegd zou worden – tenminste niet in de vergaderzaal van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. En desondanks stond hier een bebrilde jongeman in een eenvoudig grijs pak bij de microfoon, die met een ontwapenend zachte, maar vaste stem zei: „Sharia.”

Hij legde namens het non-gouvernementele Caïro Instituut voor Mensenrechtenstudies een verklaring af over de discriminatie van bahai’s en afvallige moslims in Egypte. Zij ondervinden veel problemen bij het verkrijgen van verplichte identificatiedocumenten zoals geboorteverklaringen en identiteitskaarten. Daarop hoort te staan van welke religieuze gezindte iemand is.

„Zonder enige wettelijke basis”, zei Bahgat, „weigert de regering om bekering van de islam naar een andere religie te accepteren. Ze beperkt de beschikbare keuzes tot de drie door de staat erkende religies: jodendom, christendom en de islam.”

Omdat de Egyptische bahai’s de afgelopen acht jaar geen identiteitspapieren konden krijgen, aldus Bahgat, hebben zij zeer moeizaam toegang tot basisrechten als het recht op onderwijs, op werk, het recht om deel te nemen aan het openbare leven en om een gezin te stichten. „Egyptische rechtbanken hebben dit beleid terzijde geschoven en een jaar lang ten gunste van de bahai’s beslist, maar dat bleef zonder gevolgen.’’

Toen kwam de passage die de afgevaardigde van de Egyptische regering – hij had alle kenmerken van een vechthond, afgezien van een volmaakt onderhouden snor – vast en zeker zou inspireren tot het onderbreken van de verklaring met een procedureel ’punt van orde’.

„Hoewel de regering er altijd de islamitische wetgeving bijhaalt om deze discriminerende praktijken te rechtvaardigen, hebben talloze rechterlijke beslissingen en gezaghebbende wetenschappelijke publicaties duidelijk aangetoond dat deze handelwijze van de regering het resultaat is van een selectieve en restrictieve interpretatie van de sharia, die strijdig is met de verplichting van de staat om de rechten van al zijn onderdanen te bevorderen en beschermen.”

Het punt van orde werd nooit gemaakt.

Voor niet-ingewijden lijkt het weinig verbazingwekkend dat een mensenrechtenactivist in het openbaar een duidelijk geval van religieuze discriminatie en schending van de vrijheid van religie ter discussie stelt – schendingen die onder de internationale mensenrechtenwetgeving verboden zijn. Want ja, dat is precies de hele zin van instellingen als de Mensenrechtenraad – aangenomen dat die zijn werk doet. Maar, zoals een groeiend aantal waarnemers al met de nodige ontsteltenis heeft vastgesteld, dit instituut is vrij effectief op zijn kop gezet door de Organisatie van de Islamitische Conferentie (OIC) en haar bondgenoten.

De leiders van de OIC werpen zichzelf op (en claimen daarbij namens alle moslims te spreken) als slachtoffers van de buitensporige discriminatie en ’islamofobie’ in de Verenigde Staten en Europa na 11 september 2001. Zij voeren campagne om kritische stemmen tot zwijgen te brengen die zij als ’anti-islam’ beschouwen, zowel binnen de Mensenrechtenraad als bij VN-lidstaten wereldwijd.

In maart 2008 was er het debacle waarbij een drie minuten durende verklaring van een non-gouvernementele organisatie (ngo) over vrouwenrechten onder de sharia pas na anderhalf uur afgemaakt kon worden. De OIC-landen haalden de spreker herhaaldelijk uit zijn betoog, en bleven er woedend op hameren dat alleen al het noemen van de sharia in deze context een ’belediging’ van het geloof was. De spreker was David Littman, een eerbiedwaardige provocateur bij de Mensenrechtenraad, bekend vanwege zijn stevige pro-Israël standpunt. De huidige en latere voorzitters van de raad waren het blijkbaar eens met de OIC en waarschuwden de ngo’s om niet te oordelen over religieuze zaken.

Nu, een jaar later, tijdens de tiende zitting van de Mensenrechtenraad, hoefden de islamitische staten alweer geen verantwoording af te leggen voor de onderdrukking van de vrijheid van religie en van meningsuiting van hun burgers. Integendeel. Ze dwongen de vrije democratische staten alweer in de verdediging door de raad een resolutie op te dringen (die sinds 2005 ook elk jaar door de algemene vergadering van de VN wordt goedgekeurd) die de ’belastering’ van de islam en de Profeet zou moeten bestrijden.

Maar ondanks dit alles had een ngo zojuist zonder enig incident een verklaring kunnen afleggen die niet alleen de sharia noemde, maar die ook koppelde aan specifieke schendingen van mensenrechten. De verklaring velde zelfs een oordeel over de inhoud van selectieve en restrictieve islamitische wetten. Wat was er aan de hand?

Ver boven het hoofd van Hossam Bahgat bevond zich de reusachtige koepel van de Hal van de Mensenrechten – de onlangs opnieuw ingerichte thuisbasis van de Mensenrechtenraad in het Palais des Nations in Genève.

De ruime koepel bevat een uitzinnig gekleurde sculptuur – voor 23 miljoen dollar vervaardigd door een Spaanse kunstenaar – die het best omschreven kan worden als een veld van veelkleurige stalagtieten: alsof Jackson Pollack de Sixtijnse Kapel had overgeschilderd op het plafond van een grot. Of waren het misschien geen stalagtieten maar stalagmieten? Was het een landschap van kobaltkleurige bergen, aquamarijne bossen en oranjegele torenspitsen, een wereld op de vloer van een grot waar wij, de verzamelde menigte, als vleermuizen omheen hingen, zonder dat we doorhadden dat alles op zijn kop stond?

Als wij oog in oog staan met een structuur die zwak of gevaarlijk in elkaar steekt, hebben we drie mogelijkheden. Negeren, in de hoop dat de boel vanzelf in elkaar zal storten zonder iemand te verwonden. Een stap terug doen, en alles afbranden, afbreken of opblazen. Of de zaak opnieuw opbouwen.

De ingewikkelde juridische architectuur van de islamitische staten – een ongemakkelijke combinatie van westerse constitutionele raamwerken en religieuze wetgeving – staat nu tegenover tegen de verdedigers van mensenrechten.

Sommigen – de meeste VN-functionarissen en veel mainstream mensenrechtenorganisaties – hebben het met negeren geprobeerd. Omdat ze bang zijn beticht te worden van cultureel chauvinisme hebben zij de illusie dat ze kunnen vechten voor mensenrechten in islamistische staten, zonder te raken aan de religieuze restricties. Anderen, zoals de stokebrand Littman, hebben vernietiging geprobeerd, ervan overtuigd dat mensen moeten kiezen tussen de inherente amoraliteit van de islam en de democratische deugden van de Joods-christelijke of Verlichtingstraditie. De ervaring van de jongeman uit Caïro getuigt van de belofte die de derde strategie in zich draagt.

Ik ontmoette Hossam voor het eerst in september 2008, tijdens de negende zitting van de Mensenrechtenraad. Het was nadat ik hem had horen spreken tijdens een paneldiscussie waar hij een indringende, kritische analyse gaf van de „belastering van religies”.

We raakten bevriend en schuimden in onze vrije uren de smetteloze straten van Genève af, rookten Marlboro’s en bespraken de subtielere aspecten van de islamitische wetgeving, het seculiere liberalisme en de Amerikaanse tv-serie Six Feet Under. Terwijl onze politieke opvattingen op bepaalde punten verschilden, waren onze aspiraties wel met elkaar vervlochten. Hij leek mijn neiging te waarderen om als filosoof de dingen uit elkaar te trekken om te zien hoe ze samenhangen, en ik kreeg de broodnodige bijscholing in mensenrechtenwerk, de situatie in Egypte en in de werking van het VN-systeem – om maar te zwijgen van de lessen in persoonlijke moed die hij me gaf.

Zeven jaar lang leidde Hossam een organisatie die de Egyptian Initiative for Personal Rights (EIPR) heet. Daar was hij mee begonnen toen hij op z’n tweeëntwintigste zijn baan bij een andere mensenrechtenorganisatie kwijtraakte. Hij was opgeleid als journalist en ontslagen na een verhaal over de arrestatie van 52 mannen die zich in een drijvende nachtclub op de Nijl bevonden, de zogeheten Queen Boat. Ze werden beschuldigd van seksuele perversie. Zijn vorige werkgever wilde zich niet branden aan het onderwerp homoseksualiteit.

Een paar dagen nadat hij bij de Mensenrechtenraad zijn verklaring over de problemen van de bahai’s had afgegeven maakten Hossam en ik een lange wandeling langs de oevers van het Meer van Genève, en praatten over de achtergrond van de zaak. De EIPR was al vijf jaar namens de bahai’s in rechtszaken verwikkeld, en de laatste zitting van het hooggerechtshof werd binnen een week verwacht.

De oorsprong van het bahaigeloof, waarvan ongeveer 2000 aanhangers in Egypte wonen, ligt in het midden van de negentiende eeuw in Iran. Daar beweerde een profeet een openbaring te hebben gehad die de abrahamitische religies completeerde. Vanaf het begin werden de bahai’s door orthodoxe moslims beschouwd als afvalligen, en vervolgd. Dat hun wereldwijde hoofdkwartier zich in Haifa bevindt, dat later deel werd van Israël, hielp niet erg om ze bemind te maken onder Arabische nationalisten. In 1960 vaardigde de Egyptische president Nasser een decreet uit waarmee hun status als gemeenschap werd opgeheven en hun bezittingen in beslag konden worden genomen. In 1975 onderstreepte een beslissing van het hooggerechtshof deze wet: het aanhangen van een religie anders dan de drie ’hemelse’ of ’geopenbaarde’ geloven betekende een „bedreiging voor de openbare orde”. Daarom hoefde de overheid andere religies niet te beschermen.

Nadat Egypte rond het jaar 2000 overging tot automatisering van identiteitsdocumenten weigerden steeds meer ambtenaren van het ministerie van binnenlandse zaken om documenten van bahai’s te vernieuwen – tenzij ze hun religieuze overtuiging zouden inruilen voor een erkend geloof. Soms werden hun identiteitsdocumenten ingenomen. Op een vergelijkbare manier werden burgers gediscrimineerd die van de islam tot het christendom waren bekeerd; zij mochten hun officiële religieuze status niet wijzigen. Maar wie zonder officiële documenten reisde liep het risico op arrestatie en kreeg, zoals gezegd, geen toegang tot basale voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg.

Deze mensen stonden voor een verschrikkelijk dilemma. Ze moesten kiezen tussen hun geweten geweld aandoen en hun identiteit ontkennen, of afstand doen van hun identiteit, en daarmee van hun volwaardig burgerschap.

Het discriminerende beleid van het ministerie werd niet ondersteund door een Egyptische wet en ging in feite daar tegenin. De wet zelf maakt het burgers mogelijk om de informatie omtrent hun identiteit te wijzigen, ook hun religieuze overtuiging. En de wet beperkt deze mogelijkheid niet tot bepaalde religies. Maar de ambtenaren vonden rechtvaardiging in de sharia, die door artikel 2 van de Grondwet erkend wordt als de bepalende bron van wetgeving. Bovendien past het ’plurale’ Egyptische rechtsysteem in familieaangelegenheden het gewone recht toe naast de sharia (en naast het kerkelijke recht voor Koptische christenen). In het algemeen ondersteunt de rechterlijke macht het idee dat de sharia de openbare orde voor een deel bepaalt. Discriminatie van afvalligen wordt gerechtvaardigd „op grond van het handhaven van de openbare orde en morele waarden”. De vraag is, wat doen we met de sharia in dit geval? Negeren, ontkennen of het gesprek aangaan?

In een recent artikel voor het Harvard Human Rights Journal onderzocht Naz Modirzadeh rapporten, persberichten, protestbrieven en andere documenten die twee toonaangevende mensenrechtenorganisaties, Amnesty International en Human Rights Watch, de afgelopen vijftien jaar publiceerden over mensenrechtenschendingen die verband hielden met de sharia. Ze ontdekte dat auteurs in deze publicaties steevast meedeelden dat hun organisatie geen standpunt heeft over het islamitisch recht. Een rapport uit 2004 over discriminerende Egyptische echtscheidingswetten (die gebaseerd zijn op de sharia) begint met de opmerking dat de auteurs niet „voor of tegen de sharia an sich zijn, of voor of tegen welk ander systeem of geloof of ideologie dan ook; we zijn er niet op uit om de grondslagen van welk geloof of welke overtuiging dan ook te veroordelen of te interpreteren. Het gaat ons om schendingen van mensenrechten die voortkomen uit de implementatie van ieder mogelijk juridisch systeem, in ieder mogelijk land.”

Natuurlijk, zulke rapporten brengen vervolgens nauwkeurig in kaart hoezeer de met religie vervlochten praktijken de internationale mensenrechten geweld aandoen, en doen een beroep op de regering om te zorgen dat die wel worden nageleefd. En toch, hoewel „het expliciet formuleren de zorgvuldig gecomponeerde toon van het rapport zou ondermijnen, doen [internationale ngo’s] aanbevelingen die tot gevolg zouden hebben dat in feite alle islamitische wetgeving in een land zou verdwijnen, zonder toe te geven dat ze dit doen. Met andere woorden: als alle aanbevelingen van een rapport van een mensenrechtenorganisatie over islamitische wetgeving zouden worden toegepast dan zou een grondige secularisatie van de wetgeving het gevolg zijn. Dan zou er geen sharia zijn zoals die op dit moment door de islamitische jurisprudentie wordt opgevat.”

Onder al hun breedsprakigheid is de boodschap van de mensenrechtenorganisaties: „Gooi die islamistische wetgeving (waarover wij geen mening hebben) eruit!” Maar, zoals Modirzadeh overtuigend betoogt, als we „de islamitische wetgeving serieus nemen als een kracht in de regio, en als centraal onderdeel van de levens van miljoenen moslims (als iets waartegen ze zich organiseren, of als iets dat ze juist van ganser harte omhelzen) dan is de goocheltruc waarvan de mensenrechtenorganisaties zich bedienen intellectueel gesproken op z’n best zwak en op z’n slechtst schadelijk.”

Bovenal dient deze aanpak bepaald niet de bepleiters van mensenrechten in de regio zelf. Zij weten dat echte koerswijziging alleen mogelijk is door interne hervormingen, door opnieuw te onderhandelen over de wettelijke systemen en religieuze praktijken zelf.

Door de complexe knoop van religieuze en seculiere wetten opzettelijk te negeren raakt het debat over de internationale mensenrechten in de verval. Daar komt ook de stilte in de Mensenrechtenraad vandaan – de meesten daar durven nog niet over de sharia te praten, terwijl degenen die dat wel deden als schaamteloze zionisten werden weggezet.

Voor hun campagne namens Egyptische afvalligen kozen de EIPR en diens internationale partner Human Rights Watch ervoor om deze houding te laten varen en zich in plaats daarvan direct in te laten met de islamitische wetgeving. Ze hielden vast aan het standpunt dat de vervolging van de bahai’s het gevolg was van een selectieve en restrictieve interpretatie van de sharia, en gingen zelfs zover om in een persbericht te zeggen dat het regeringsbeleid „tegen de voorschriften van de sharia inging”.

In 2006 sprak de Egyptische rechtbank zich uit ten gunste van een bahai familie die identiteitsbewijzen en geboortecertificaten wilde hebben. Maar de regering ging in hoger beroep, en het hooggerechtshof draaide de beslissing om, met de openbare orde als argument. De campagnevoerders hielden interviews met slachtoffers en publiceerden in november 2007 een vernietigend rapport. In hetzelfde jaar werd er opnieuw een zaak door bahai’s voor de rechter gebracht en gewonnen, gevolgd door een volgende juridische uitdaging in 2008.

De campagnevoerders benadrukten in hun juridische argumentatie en openbare debatten dat bijna alle shariageleerden afvalligheid als een zware zonde zien, maar dat er geen consensus bestaat over de vraag of afvalligheid ook door de staat verboden zou moeten worden. Hierbij beroepen zij zich op uitspraken van autoriteiten als Sjeik Gamal Qotb, het voormalig hoofd van de fatwacommissie van de Al-Azhar Universiteit. Ook haalden ze een uitspraak van het hooggerechtshof uit 1996 aan, die bepaalt dat bij het ontbreken van een wetenschappelijke consensus de staat niet simpelweg de voorkeur mag geven aan de interpretatie die door de meerderheid wordt ondersteund. In plaats daarvan moet de staat zoeken naar de minst restrictieve interpretatie die de belangen van de mensen het beste waarborgt (masalih al-nas). „Als het correct is dat in zaken waarover noch de Koran noch de soenna een duidelijk standpunt verkondigt, juristen de doorslag mogen geven, dan heeft de overheid evenzeer hetzelfde recht. Sterker nog, zij is er misschien nog meer toe gerechtigd dan juristen, omdat zij in staat kan zijn om onrust te bedaren, twisten op te lossen en een eind te maken aan vijandigheid. ”

Hossam vertelde me hoe hij eens tijdens een televisiedebat zijn tegenstander, een prominente sjeik van Al-Azar, uit het veld sloeg door zelf met gezaghebbende islamitische juridische kennis op de proppen te komen om zijn mening te onderbouwen. Omdat de sjeik daarna geen beroep meer kon doen op onbetwistbare islamitische wetgeving waarmee elk debat doodgeslagen kan worden, was hij gedwongen om terug te grijpen op seculiere politieke argumenten. Zodoende had Hossam een natuurlijke voorsprong.

Over een paar dagen zou het hooggerechtshof beslissen over de laatste juridische uitdaging en in het verlengde daarvan, over het succes van de strategie van de EIPR.

Terwijl we opgingen in ons gesprek waren Hossam en ik de weg kwijtgeraakt in de botanische tuin. We grapten dat als hij nou een fatsoenlijke moslim was geweest, hij vast een horloge met gps had gehad dat de richting van Mekka aangaf, zodat we de weg naar het centrum van Genève moeiteloos hadden kunnen terugvinden. Ik zocht tussen de wolken naar de ondergaande zon, en draaide daarbij, zoals ik geneigd ben te doen, voor mijn oriëntatie naar het Westen.

Spinoza liep in zijn tijd op tegen een muur van religieus-heilige wetgeving die werd gebruikt om de individuele vrijheid in te perken. Net zoals de voorstanders van mensenrechten nu moeten bedenken hoe ze de sharia moeten benaderen, stond Spinoza voor de keuze wat te doen met de Bijbel: vergeten, verbranden, of herschrijven. Hij koos voor het laatste.

In de inleiding op ’Theologisch-politiek traktaat’, zijn majestueuze essay over de vrijheid van geweten en van meningsuiting, stelt Spinoza met verbijstering vast hoezeer dogmatische en metafysische controverses het christendom splijten, waardoor de gelovigen tegenover elkaar komen te staan en de staat in dienst komt te staan van een verpletterende ketterij. Terwijl hij het Traktaat schreef, leefde Spinoza zelf in ballingschap, verdreven door de Joodse gemeenschap in Amsterdam vanwege zijn standpunten.

Spinoza vertelt ons dat hij ontdekt heeft „hoe de Bijbel geïnterpreteerd dient te worden”: niet als een wetenschappelijke of filosofische dissertatie, maar als een oproep, een commando door de auteur aan mensen van alle tijden. En dus vraagt hij „niets anders van de mens dan gehoorzaamheid”. De boodschap van het evangelie is er een van eenvoudig geloof, dat wil zeggen, geloof in God en ontzag voor God, of – wat hetzelfde is – gehoorzaamheid aan God, schrijft hij. „De gehele wet bestaat slechts hierin, in het liefhebben van je naaste.”

En wat vereist het liefhebben van je naasten? Alleen „rechtvaardigheid en naastenliefde”. Het is de zaak van de staat om deze ’universele religie’ te versterken, maar de universele religie heeft niets te zeggen over de doop, transsubstantiatie of predestinatie. Het is niet de taak van de overheid om te zorgen dat wij elke zonde en elk schisma vermijden, maar om goede buren van ons te maken. „Waar rechtvaardigheid en naastenliefde kracht hebben van wet, daar is het Koninkrijk Gods.” In alle andere religieuze en morele zaken moet de staat gelovigen vrijlaten om te denken wat ze willen en te zeggen wat ze denken.

In handen van dissidente protestantse groepen als de wederdopers waren het argumenten als deze die de ruimte schiepen voor de vrijheid van geweten, van geloof en van meningsuiting in Europa. Spinoza had zichzelf opgesloten in het kronkelige en verraderlijke doolhof van de bijbelse theologie om te kunnen ontsnappen, maar niet door een draadje terug naar de ingang te volgen. Hij maakte de weg naar buiten voor zichzelf, en voor het hele Westen, door het doolhof opnieuw op te bouwen. Het lijkt evident dat de hedendaagse voorstanders van grotere vrijheid in de islamitische wereld een vergelijkbare keuze moeten maken.

Als strategie voor het omgaan met religie en mensenrechten zijn ’veronachtzamen’ en ’vernielen’ zeer aantrekkelijk; ze hebben de eenvoud van het wegwerpgebaar.

Campagnevoerders voor mensenrechten die weigeren om de worsteling met de islamitische wetgeving aan te gaan kunnen hun nobele retoriek van de daken schreeuwen. Ze dalen nooit af in de schemerige en onzekere straatjes waar de levens van de mensen zich daadwerkelijk ontvouwen en waar ze misschien wel verdwaald raken. Verwerpers van de islam kunnen zich op hun beurt koesteren in het speciale soort zelfvertrouwen dat je reserveert voor oplossingen die nooit daadwerkelijk worden uitgeprobeerd en dus ook nooit zullen mislukken. En degenen die willen dat de islam de wereld overneemt, of minimaal hun eigen land of regio, hebben niet minder zelfvertrouwen. Sayyid Qutb, de grondlegger van het moderne islamistische denken, vond rust „in de schaduw van de Koran”. Het is de fata morgana van puurheid en eenheid die „de mensheid zal leiden naar de onderwerping van alles in het menselijk leven aan Allah alleen”.

Overigens wil ik op geen enkele wijze geringschattend doen over het belang of de edelmoedigheid van mensen die zich buiten de religies plaatsen en proberen die af te breken. De wereld is onmetelijk beter af omdat Ayaan Hirsi Ali bestaat en haar verhaal vertelt, en het zal een grootse dag zijn als het voor elke jongen en elk meisje, waar ook geboren, mogelijk wordt om zonder religie te kunnen leven. Ik wil alleen aantonen dat in concrete mensenrechtenzaken de strategie van het omverwerpen vaak maar weinig praktische waarde zal hebben. De publieke ruimte is groot genoeg om beide strategieën te bevatten.

In Soera 88 beschrijft de Koran de hemel als een rustig oord, een serene tuin waar we eindelijk kunnen ontsnappen aan het gebabbel en geredetwist dat deze wereld zo bezighoudt. Maar daar leven we niet. Laat dus, tot het zover is, het gebabbel in duizendvoud bloeien.

De maandag na de wandeling met Hossam Bahgat dronk ik koffie en checkte ik mijn mail bij Bar Serpent, het informele café dat zich een verdieping onder de zalen van de Mensenrechtenraad bevindt. Hossam kwam binnen. Hij bleek nieuws te hebben uit Caïro: ze hadden de zaak gewonnen. Er zou nu wettelijk worden vastgelegd dat de bahai’s in Egypte zichzelf konden zijn zonder hun rechten op te geven.

Hossam moest door naar een andere bijeenkomst. Hij keek alweer uit naar het volgende juridische gevecht, deze keer om volledig burgerschap voor moslims die tot christen waren bekeerd. En misschien, op een goede dag, zou hij strijden voor de rechten van mensen die zich hadden bekeerd tot geen enkele religie.

Boven, in de Hal van de Mensenrechten, stond op de grote schermen te lezen welke thema’s er besproken werden en welke landen en organisaties het woord zouden nemen. Telkens als de schermen even op standby sprongen lieten ze een panoramisch shot zien van de nieuwe koepel die, als je hem vanaf de juiste afstand bekeek, de gedaante aannam van een schilderspalet. Niet te voorspellen wat hieruit gemaakt, of opnieuw gemaakt zou kunnen worden.

mailIcon print |