Volgens Herman Tjeenk Willink, als vicepresident van de Raad van State de onderkoning van Nederland, is de functie van minister-president te zwaar geworden.
De premier is partijleider, leider van een coalitie, politiek verantwoordelijke voor het reilen en zeilen van het Koningshuis en vertegenwoordiger van Nederland in belangrijke internationale overlegcircuits als de Europese raad en, een nieuw fenomeen dat wellicht herhaald gaat worden, het economisch topoverleg in de G20.
Tegelijkertijd constateerde Tjeenk Willink deze week bij de presentatie van het jaarverslag van de Raad van State dat de gescheiden verantwoordelijkheden van kabinet en parlement opnieuw verder vervagen. De gang van zaken rond de onderhandelingen over een antwoord van de coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie volgde de vicepresident van de Raad van State met gefronste wenkbrauwen, zo liet hij in een vraaggesprek met Trouw weten.
Tjeenk Willink was wel zo realistisch het vermoeden uit te spreken dat het onder een coalitie met een andere politieke samenstelling niet anders zou zijn gegaan. En gelijk heeft hij. Coalities timmeren sinds jaar en dag de zaak dicht met harde afspraken, waar niet van kan worden afgeweken. Coalities zijn immers het product van georganiseerd wantrouwen tussen coalitiepartners. Dat wantrouwen neemt slechts toe nu het politieke midden, waar de compromissen het eenvoudigst te sluiten zouden moeten zijn, aan erosie onderhevig is.
Vreemd genoeg legt Tjeenk Willink geen verband tussen de groeiende belasting van de minister-president en het doorschietende monisme. Natuurlijk is de functie van premier zwaar, te zwaar wellicht om op alle onderdelen nog een constante kwaliteit te kunnen leveren. Maar er zit ook een vreemdsoortig element in, dat én de functie verzwaart én ervoor zorgt dat een coalitie een loopje neemt met de gescheiden verantwoordelijkheden van volksvertegenwoordiging en kabinet. Sterker nog, doordat de premier in Nederland van lieverlee én een kabinet, een partij en een coalitie is gaan leiden, moest het dualisme wel een zachte dood sterven.
Sinds het kabinet-Den Uyl in de jaren zeventig is de premier de ontwerper van het regeerakkoord en, na de vorming van het kabinet, de uitvoerder van dat akkoord. Zowel het CDA als de PvdA heeft nooit een partijleider gekend die, als de partij regeringsverantwoordelijkheid droeg, niet tot het kabinet toetrad.
De redenering van CDA-fractievoorzitter Pieter van Geel volgend is dat eigenlijk bizar. Volgens Van Geel is de fractie van een coalitiepartij eigenaar van het regeerakkoord. De fractie immers bepaald of het door onderhandelaars gesloten akkoord geaccepteerd wordt en uitgevoerd kan gaan worden. Wat is er eigenlijk dan logischer dan dat die onderhandelaars de fractie, de eigenaar van het akkoord gaat leiden? Het kabinet wordt zo meer wat het in de visie van Van Geel logischerwijs ook is: de aannemer, die de regeringsfracties inhuren om het werk uit te voeren.
In een dergelijke situatie is een betere voorwaarde geschapen voor een dualistische verhouding tussen parlement en kabinet. Debatten doen er in die verhoudingen weer toe en de functie van premier raakt een zware last kwijt. De eerste minister kan zich concentreren op zijn eigenlijke, nog steeds omvangrijke en zware taken. De partijleider kan hem controleren en tegelijkertijd de partij aanvoeren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.