Wetenschappers hebben het mensbeeld de afgelopen eeuwen drastisch veranderd. Daarbij ging het soms pijnlijk fout, blijkt op een tentoonstelling in Leiden.
Altijd al een ontmoeting willen hebben met Lucy, de oudst bekende mensachtige die rechtop liep? Deze eerbiedwaardige dame van ruim drie miljoen jaar oud geeft vanaf morgen in Leiden haar botjes bloot – afgietsels weliswaar, maar daar merk je als leek niets van.
Lucy is een van de pronkstukken van de nieuwe tentoonstelling ’Van Adam tot DNA’ in het Leidse Boerhaave-museum.
Zoals de titel al suggereert, wordt het letterlijke scheppingsverhaal er geconfronteerd met de evolutietheorie. Daarom ligt Lucy uitdagend opgesteld naast eeuwenoude skeletten van ’Adam en Eva’. En daarom prijken de Statenbijbel en Darwins ’On the origin of species’ naast elkaar in één vitrine.
Toch gaat de tentoonstelling maar voor een klein deel over dit levensbeschouwelijke conflict. De vraag die eigenlijk centraal staat, is meer cultureel-antropologisch van aard: welke opvattingen heeft de mens vanaf de 16de eeuw gehuldigd over zijn eigen oorsprong en natuur?
Lange tijd was het bij zulke existentiële vraagstukken uitsluitend de Bijbel die houvast bood. Met de Heilige Schrift in de hand kenden onze voorvaderen zichzelf een comfortabele uitzonderingspositie in het dierenrijk toe, als kroon op de schepping. Maar naarmate de wetenschap voortschreed, werd die visie nagenoeg onhoudbaar.
Feitelijk rommelde het al vóór Darwin, in de 18de eeuw, zo laten de samenstellers van de expositie zien. De Zweedse bioloog Carl Linnaeus publiceerde in 1735 een zelf ontworpen systeem waarin hij alle levende wezens classificeerde. Hij rangschikte de mens in dezelfde orde als de aap en, nota bene, de drie-tenige luiaard. Destijds wankelden we dus al op onze sokkel. Maar, eerlijk is eerlijk, Darwin duwde ons er pas echt vanaf.
Tegelijk met de veranderende ideeën over onze herkomst verschoof ook de manier waarop de mens werd afgebeeld. „Op anatomische platen uit de 16de, 17de en 18de eeuw zie je nog vooral perfecte mensen”, licht conservator Tim Huisman toe. „Ze werden gemodelleerd naar het schoonheidsideaal uit de klassieke oudheid, min of meer zoals Griekse beelden. Een goed voorbeeld is hier te zien: een perfect symmetrisch skelet, halverwege de 18de eeuw gemaakt door de Leidse anatoom Albinius.”
In de natuur bestaan zulke ideale vormen niet. Dat besef drong vanaf de 18de eeuw geleidelijk door. Afbeelders verschoven hun aandacht toen van het ideaal naar de menselijke variatie. Dat betekende vooral dat ze steeds meer mensen uit vreemde culturen gingen tekenen. Daarvan getuigen enkele prachtige gekleurde gravures van negroïde en andere exotische types.
„Hier worden ze nog sympathiek weergegeven”, zegt Huisman. „Een beetje als nobele wilden.” Maar dat veranderde snel. De 18de-eeuwse Leidse anatoom Petrus Camper koos al een minder vriendelijke benadering. Hij tekende een rij schedels, beginnend bij een aap en eindigend bij die van een perfect Grieks beeld. Ergens daartussen staat een neger; met zijn schuin afgeplatte voorhoofd lijkt hij cerebraal duidelijk voor de knappe westerling onder te doen.
„Door al die wiskundige lijnen en afmetingen zien de schedeltekeningen van Camper er heel verantwoord uit”, legt Huisman uit. „Maar het achterliggende idee klopt niet. Zwarten hebben geen kleinere schedelinhoud dan blanken. Toch is dat idee lang gebruikt om het kolonialisme te rechtvaardigen.”
De menselijke meetwoede nam gaandeweg steeds absurdere vormen aan, ook in eigen land. Zo werd bij ons in 1896 op diverse politiebureaus en in strafkoloniën de methode-Bertillon ingevoerd. Deze aanpak, bedacht door de 19de-eeuwse Franse criminoloog Alphonse Bertillon, was bedoeld om misdadigers te identificeren. „Fatsoenlijke burgers in de steden voelden zich in toenemende mate bedreigd door de groeiende schare landlopers en bedelaars”, zegt Huisman. „Het nieuwe identificatiesysteem gaf een gevoel van veiligheid.”
Bertillon-metingen waren een tijdrovende en vervelende bezigheid. De misdadiger moest om te beginnen plaatsnemen op een houten bankje, met zijn bilhelften aan weerszijden van een pijnlijk hoge scheidingsrichel. Dankzij die oncomfortabele stoel zat de crimineel precies goed voor de camera. Er volgde een foto en een vingerafdruk, zoals nog steeds gebruikelijk. Daarna werd er oneindig veel gemeten. Alleen al van het rechteroor werden zeventien eigenschappen in kaart gebracht, waaronder de omtrek en de aanhechtingsplek van het lelletje.
Dat alles moest leiden tot een uniek antropometrisch profiel, aan de hand waarvan de dader bij een eventueel recidief gemakkelijk te herkennen zou zijn. „Maar al na zes jaar is de methode afgeschaft”, zegt Huisman. „Het verschil in aanpak tussen individuele meters bleek zo groot dat de metingen niet bruikbaar waren. Alleen de foto en de vingerafdruk bleken voldoende voor de identificatie.” De meeste meetkaarten zijn daarna vernietigd. Alleen die uit het strafkamp Veenhuizen zijn bewaard gebleven, zoals in Leiden te zien is.
Vanuit de antropometrie maken de samenstellers vervolgens een sprongetje naar het moderne DNA-tijdperk. Niet de schedelpan of het oorlelletje, maar onze unieke genetische code vormt tegenwoordig het voornaamste speeltje van de biologische wetenschap. Je kunt mensen er ten eerste betrouwbaar mee identificeren. Verder kun je er lichamelijke eigenschappen uit aflezen, veel beter dan de artsen in de 19de eeuw, die naar onzinnige knobbels in de schedelpan keken om te achterhalen of iemand aanleg had voor wiskunde. En je kunt het DNA gebruiken om terug te rekenen hoe de menselijke evolutie is verlopen.
De explosief groeiende kennis over DNA brengt ondertussen ook de nodige problemen met zich mee op het gebied van de privacy en de voorspellende geneeskunde. Wie mag over onze genetische code beschikken? Willen we alle gezondheidsrisico’s van tevoren weten? En in hoeverre vinden we het toelaatbaar om in te grijpen als een ongeboren kind genetisch niet aan de verwachtingen voldoet?
Aan het eind van de tentoonstelling is een tent ingericht waar bezoekers met elkaar over dit soort thema’s kunnen discussiëren. „Het is een experiment”, zegt Huisman. „Ik hoop dat het aanslaat.”
Als de tentoonstelling één ding duidelijk maakt, is het dat de visie op de mens in de loop van de tijd flink is veranderd. De wetenschap, met haar theorieën die lang niet altijd hebben standgehouden, heeft er steeds een bepalende rol in gespeeld. Toch lijkt er in essentie niet zo gek veel veranderd. „De meetmethoden zijn een stuk geavanceerder”, zegt Huisman. „Maar het grappige is dat de basale vragen hetzelfde zijn gebleven: wie zijn we en waar komen we vandaan?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.