Toen primatoloog Marc van Roosmalen van een heuvel over het Amazonewoud uitkeek, zag hij hier en daar een woudgigant uit het broccolibos steken. Juist uit die reuzen groeien strychnos-lianen, of beter: erin.
Ze ontkiemen uit grote, zachte zaden, nadat die door mestkevers zijn begraven. Mestkevers doen dat als er poep omheen zit. Apenpoep. Slingerapen zijn gek op de grote strychnos-vruchten, waarin de zaden in smakelijke pulp schuilgaan. Dat vruchtvlees hecht zo vast aan het zaad, dat apen het er niet af krijgen. Misschien zou het met tandengeweld lukken, maar dan beschadigen ze de pit en komt het dodelijke gif strychnine vrij. Met de dosis uit één zaad had de CIA tientallen Castro’s kunnen vergiftigen. Van Roosmalen zag eens een agoeti, een knaagdier, in zo’n noot bijten en dood neervallen. Slingerapen slikken het vruchtvlees met zaden en al door, zonder te kauwen. Spijsverteren doen ze luierend in een woudgigant. Na een paar uur poepen ze de zaden onbeschadigd uit. Er kleeft dan poep aan, geen vruchtvlees meer. Spijsverteringssappen zijn wonderbaarlijk effectief. Zonder de pit te kwetsen gaat al het vruchtvlees eraf tot er een gepolijst zaad overblijft. Voor het zaad is dat noodzaak. Met restjes vruchtvlees beschimmelt en sterft het. Zonder kan het ontkiemen, mits de drol waarin het zaad meelift door een mestkever wordt begraven, als kraamkamer voor diens larven. Strychnos-lianen groeien dan ook uitsluitend in slaapbomen van slingerapen. Van Roosmalen ontdekte nog meer tijdens zijn jaren in het bos als een ouderwetse ontdekkingsreiziger. Hij werd vooral bekend door de zes nieuwe soorten apen die hij ontdekte. Onlangs verscheen zijn boek ’Blootsvoets door de Amazone’ (uitgeverij Bert Bakker). Een aanrader!
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.