De in 1858 opgerichte Wiener Singverein bestaat dit seizoen 150 jaar. Ze is daarmee de oudere halfzuster van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO), dat dit jaar zijn 120ste verjaardag viert.
En als twee van die jarigen samen het podium delen, dan mag er wat speciaals op het programma staan – zoals donderdag de uitvoering van het ’Requiem’ van Dvorák, met een droomcast: sopraan Krassimira Stoyanova, alt Mihoko Fujimura, tenor Klaus Florian Vogt en bas Thomas Quasthoff.
In dezelfde samenstelling klinkt het ’Requiem’ komende week in de Weense Musikverein, thuishaven van de Singverein. Het KCO voerde Dvoráks dodenmis – een paar jaar na de oprichting van het orkest geschreven – nooit eerder uit. Als je het podium van de grote zaal van het uitverkochte Concertgebouw zag, begreep je wel waarom dat zo was. Voor zo’n gigantisch koor, orkest op volle sterkte en vier zangsolisten moet je een goede gelegenheid en een even goed budget vinden.
Dvoráks ’Requiem’ is niet alleen binnen het oeuvre van de componist een van zijn omvangrijkste werken. Met zijn monsterbezetting en zijn tijdsduur van ruim anderhalf uur is het ook binnen het koorrepertoire een kanjer. Geen wonder dus dat het orkest deze bijzondere gelegenheid vastlegde, voor een nieuwe cd op het huislabel KCO Live
Hoewel alle voortekenen zeer gunstig leken voor een uitvoering om nooit meer te vergeten, speelde het KCO donderdag nog niet op de toppen van zijn kunnen. De pijler voor het donkerbruin gekleurde ’Requiem’ met zijn Tsjechische inslag wordt gevormd door de houtblazers. Die geven het werk soms een orgelig, vaker een pastoraal karakter.
Opvallend genoeg was die sectie donderdag niet zo hecht en kleurrijk als anders: inzetten waren hier en daar rommelig, de intonatie niet altijd accuraat. En waar je normaal het hout als ensemble binnen het orkest hoort, stonden de neuzen niet altijd dezelfde richting op. Het lukte Jansons niet altijd om het enorme corpus aan musici strak te houden: in de opening van de fuga ’Quam olim Abrahae’ liepen koor en orkest tot twee keer toe uit de pas.
Je kon rustig aannemen dat deze kleine gebreken in de uitvoering op vrijdag overwonnen zouden zijn. Want in het majestueus kopergekleurde ’Tuba mirum’, in de wervelstorm van het ’Confutatis maledictis’, in het aanzwellende ’Amen’ van het ’Lacrimosa’ en in de verstilde passages in het ’Agnus Dei’ klonken koor orkest en de vier solisten ongelooflijk sterk. Het leverde een lang
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.