*

 

Grote steden financieel afknijpen verergert crisis

Thom de Graaf − 06/02/09, 00:00

opinie De kredietcrisis kan ernstige gevolgen hebben voor de grote en middelgrote steden. Hun financiering verslechteren zal de crisis alleen maar verergeren.

De economische recessie die uit de kredietcrisis is voortgevloeid zorgt voor zwaar weer voor de steden. De economie van de steden staat onder druk en als gevolg daarvan zal ook de sociale problematiek weer toenemen.

De allergrootste, maar ook de overige steden doen natuurlijk wat ze kunnen om zowel de voorzieningen voor burgers als de publieke investeringen op peil te houden. Premier Balkenende roept ze daartoe ook op: geld moet rollen! Waar mogelijk worden geplande investeringen naar voren gehaald en private partners bewerkt om overeengekomen afspraken op dit vlak ook na te komen.

Waar daarnaast de sociale opgaven alleen maar groter zullen worden, doen de steden bovendien hun uiterste best om hun inwoners van werk naar werk en van scholing naar bij- en omscholing te begeleiden.

Die aanpak verdient steun van het kabinet. Maar in plaats daarvan lijkt het er op dat het rijksbeleid de komende jaren de grote steden juist in de steek laat. „Er is alle reden om nog een tandje bij te zetten. De steden zullen urgent blijven”, zei de hoogste ambtenaar van Wonen, Wijken en Integratie recentelijk nog. Maar de nieuwe minister, Eberhart van der Laan, maakt in overleg met de steden duidelijk dat het integrale grotestedenbeleid verleden tijd is en dat vanaf volgend jaar de budgetten voor de fysieke, sociale en economische opgaven van de grote steden niet alleen kleiner worden, maar ook weer totaal versplinterd raken: elk departement weer zijn eigen specifieke geldstroompjes met eigen specifieke regeltjes. Terug bij af dus met minder geld, minder aandacht en versnipperd beleid.

Het kabinet zou er voor kunnen kiezen om juist in het huidige tij de steden te beschouwen als de economische katalysatoren van het land en de stadsbesturen in staat te stellen die economische kracht te bewerkstelligen. Niet alleen ’prachtwijken’ maar ook ’krachtsteden’ dus. Dat gebeurt echter niet. Los van de onzekere en waarschijnlijk aflopende toekomst van het grotestedenbeleid, zullen ook de reguliere inkomsten van de steden teruglopen. Als het kabinet immers tot rijksbezuinigingen besluit om het begrotingstekort niet te laten oplopen, krijgen de gemeenten ook minder rijksmiddelen. Deze trap-op-trap-af- systematiek is in deze sombere tijden een kwalijk automatisme waar we zo snel mogelijk vanaf moeten. De steden krijgen tenslotte ook al te maken met vermindering van hun eigen inkomsten, (variĆ«rend van leges, toeristenbelasting, rente op tegoeden) en verhoging van de lasten (bijstand, sociaal en scholingsbeleid). Het laatste wat er moet gebeuren is dat stadbesturen voorgenomen investeringen en bestedingen uitstellen of schrappen omdat de gemeentelijke begrotingen dat niet meer trekken.

Het is in algemene zin wijs om in Den Haag tijdens de economische nood geen al te strakke begrotingsregels te hanteren. Maar het is zeker verstandig om de steden financiƫle armslag te laten houden om hun fronttaken uit te oefenen en de publieke infrastructuur te onderhouden. De voor het grotestedenbeleid vrijgemaakte geldstromen mogen dus niet opdrogen en ingrepen in de rijksbegroting dienen niet automatisch door te werken in het Gemeentefonds.

Er zijn wellicht nog andere mogelijkheden om de stedelijke ontwikkeling blijvend te stimuleren. Niet de ministers maar de provincies kunnen daarbij helpen. De meeste provincies profiteren van de verkoop van de energiebedrijven waarvan zij grootaandeelhouders zijn. Essent is al verkocht en Nuon volgt binnenkort. De miljardenopbrengsten mogen van minister Bos niet verjubeld worden. Extra bijdragen aan stedelijke publieke investeringen en sociale opgaven, bijvoorbeeld via de renteopbrengsten van spaarfondsen, zullen vermoedelijk geen ministerieel veto ontmoeten. Zo kunnen ook de provincies een extra steentje bijdragen aan het publieke investeringsklimaat, bestrijding van de werkloosheid en de kwaliteit van het stedelijk leven.

Met gerichte hulp en ondersteuning van rijk en provincies moet het lukken om de sociale en economische motor van de steden draaiende te houden, in het belang van het gehele land. Miljarden uitgeven om banken in crisistijd overeind te houden, kan nuttig zijn. Investeren in steden is dat zeker.

mailIcon print |