De positie van de premier is in het geding. Dat vraagt om niets minder dan een parlementaire enquête.
Het onthulde document van de Dienst juridische zaken van het ministerie van buitenlandse zaken over de besluitvorming in de Irakoorlog heeft begrijpelijkerwijs tot veel commentaar aanleiding gegeven. Een parlementaire enquête om duidelijkheid te verschaffen, is de aangewezen weg.
De commentaren gaan ervan uit dat het document niet aan de verantwoordelijke minister is doorgeleid maar dat de secretaris-generaal (SG) het heeft achtergehouden en door een eigenmachtige beslissing in het archief heeft laten opbergen. Dat wordt gebaseerd op de aantekening ’Goed opbergen voor het nageslacht; de discussie is hiermee voor het moment gesloten’.
Het kan zijn dat het inderdaad zo gegaan is, maar er zijn ook andere mogelijkheden denkbaar en tot op zekere hoogte zelfs waarschijnlijk. De loyaliteit van de Nederlandse departementsambtenaar aan zijn/haar minister is spreekwoordelijk. Doorbreken daarvan zou zo uniek en ernstig zijn, dat het zelfs onwaarschijnlijk is.
In de commentaren tot nu toe is echter weinig of geen aandacht besteed aan mogelijke varianten, die er wel degelijk zijn. Een ervan is, dat de minister het stuk wél heeft gezien maar het naast zich heeft gelegd en de SG heeft opgedragen het in het archief op te bergen. Dat deze aan die opdracht gevolg heeft gegeven, past geheel in zijn loyaliteitspositie. Dat zou ook de aantekening ’goed opbergen enz.’ verklaren.
Het ambtelijke stuk kan niet relevant geweest zijn, omdat (zoals minister Donner in ’Buitenhof’ stelde) het besluit al was genomen, en de aangevoerde argumenten al in de overwegingen waren meegenomen. Dan zou dit voor de SG een reden te meer kunnen zijn geweest om ’voor het nageslacht’ goed vast te leggen dat het besluit niet op basis van de ambtelijke adviezen was genomen.
Als dit de gang van zaken is geweest, dan treft de betreffende topambtenaar geen blaam maar slechts lof. Hij heeft zonder in conflict te komen met zijn loyaliteit er voor zorg gedragen, dat bij een latere reconstructie (het nageslacht!) dit mogelijk cruciale document niet verloren zou zijn gegaan.
Stel dat het inderdaad zo is gelopen, en de minister het stuk wel heeft gezien of door de SG van de inhoud ervan op de hoogte is gebracht. Dan rijst de vraag, of de bewindsman die kennis voor zichzelf heeft gehouden (mogelijk met het motief, dat het ’niets nieuws’ bevatte) danwel of hij die kennis met het kabinet of althans met de minister-president heeft gedeeld.
Er zijn tenminste drie verantwoordelijkheden (en reputaties) in het geding bij de vraag, hoe de gang van zaken is geweest: die van de toenmalige secretaris-generaal, die van de toenmalige minister van buitenlandse zaken en die van de toenmalige minister-president. Daarbij zijn politiek gezien uiteraard die van de laatstgenoemden het belangrijkste. Voor elk van beiden komt er nog een zwaarwegend element bij.
De toenmalige minister van buitenlandse zaken is kort na de omstreden beslissing benoemd tot secretaris-generaal van de Navo. Mede door het gesuggereerde verband daartussen, is het voor hem van het grootste belang, dat helderheid wordt verschaft over de nu gerezen vragen.
Voor de toenmalige minister-president is helderheid van niet minder belang, omdat hij ook de zittende premier is en voortbestaan van de gerezen vragen uiteraard ook hun weerslag hebben op (het gezag van) zijn huidige positie.
Het kan niet aan twijfel onderhevig zijn dat de noodzakelijke helderheid slechts door een grondig onderzoek kan worden verschaft. Dit is een nationaal belang, maar niet in de laatste plaats ook het belang van de betrokken personen en instanties zelf. Een parlementair onderzoek, zoals nu door een meerderheid van de Eerste Kamer nagestreefd en inmiddels ook door een meerderheid van de Tweede kamer bepleit, is wel het minste, maar lijkt daartoe ontoereikend. Dit hangt samen met de mogelijkheid getuigen al dan niet onder ede te horen.
Ambtenaren zijn voor het afleggen van verklaringen afhankelijk van de toestemming van hun politieke baas (dit geldt ook voor de secretaris-generaal van de Navo). Nu zal die toestemming wel niet worden geweigerd, maar de mate van hun bereidheid zo volledig mogelijk opening van zaken te verschaffen, zal mede bepaald worden door het gewicht van het onderzoeksinstrument.
Voor nog in functie zijnde politieke personen geldt, dat iedere verklaring onvermijdelijk doorwerkt in het gezag van hun huidige functioneren. Het meest aangewezen onderzoeksmiddel is daarom het instrument dat de druk om volledig opening van zaken te geven zo groot mogelijk maakt. Dit maakt het ook voor henzelf aantrekkelijker.
Conclusie: er is een parlementaire enquête nodig. Laten de Eerste Kamer (omdat zij al het initiatief voor een parlementair onderzoek had genomen) en de Tweede Kamer (omdat nieuwe gegevens een besluit daartoe nu rechtvaardigen) nu vooral niet met elkaar rivaliseren. Trouwens, waarom geen gezamenlijke enquête? De zaak, waarbij mensenlevens zijn ingezet én opgeofferd, is er belangrijk genoeg voor.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.