*

 

Palestijnse patiëntjes klem in Israëlisch hospitaal

Jetteke van Wijk − 16/01/09, 00:00

Ouders uit de Gazastrook waken in Tel Aviv bij hun zieke kinderen. Die willen terug naar huis, maar de ouders weten wel beter.

De achtjarige Walla’a Tanani kan bijna niet wachten. Zondag, zegt het Palestijnse kankerpatiëntje blij, mag ze na vijf maanden chemokuur eindelijk het Israëlische Tel Hasjomerziekenhuis verlaten. Terug naar huis. Terug naar de Gazastrook.

Dat haar huis in het Jabalja-vluchtelingenkamp inmiddels geen ramen meer heeft, deert haar weinig. Ze weet dat het al bijna drie weken oorlog is en zegt te begrijpen waarom. Toch wil ze niets liever dan naar haar broers en moeder gaan.

Vader Emad zit er wat stilletjes naast. „In het begin”, zegt hij, „liet ik haar nog televisie kijken. Ze consumeerde het nieuws over de Gaza-oorlog via Israëlische zenders, die vooral beelden brengen van eigen soldaten. Van de gruwelijke beelden die Al-Jazeera brengt, zag ze bijna niets”.

Nu is tv echter verboden, als ook telefoontjes met haar broers. Telkens als Emad belt met thuis, hoort hij zijn zeven andere kinderen in de leeftijd van veertien tot één alleen maar huilen, terwijl het op de achtergrond onafgebroken knalt en explodeert. Walla’a’s moeder kan voor haar dochtertje de schijn nog ophouden, maar haar broers zouden kunnen vertellen van de doden in de familie en de alles verterende angst.

Walla’a Tanani is een van de ongeveer 200 jeugdige patiënten die jaarlijks in het Tel Hasjomerziekenhuis behandeld worden. Een derde van hen is Palestijns, waarbij slechts een enkeling afkomstig is van de Westelijke Jordaanoever. De rest zijn kinderen die in de Gazastrook niet de juiste kankerbehandeling konden krijgen en die, onder begeleiding van één volwassene, de doorgaans gesloten grens met Israël mochten passeren.

In de chemokuurkamer wisselen de Gazaanse ouders dezer dagen daarom niet alleen verontruste verhalen uit over het verloop van de ziekte, maar ook over de situatie in hun woonoorden en vluchtelingenkampen.

In een belendend gebouw houden ’Fawzi’ en ’Karim’ vanuit hun rolstoel al even nauwgezet het nieuws uit de Gazastrook bij. Beiden waren lid van de Fatahpolitie toen Hamas in juni 2007 de macht overnam. Ze werden door gemaskerde Hamasmannen uit hun huizen gesleurd, geblinddoekt, gemarteld en met dumdumkogels in de benen geschoten.

De 23-jarige Fawzi kreeg 70 kogels in het onderlijf en is vanaf de heup geamputeerd. De 26-jarige Karim kreeg er dertig in het linkerbeen en zes in het rechter, dat behouden bleef. Inmiddels gevlucht naar Westoever-stad Ramallah, waar Fatah heer en meester is, zijn ze nu in Tel Hasjomer om protheses te krijgen. „Laat Hamas maar lekker op zijn donder krijgen”, zegt Fawzi laconiek. „Het zijn geschifte fanatiekelingen.”

Hun nieuwe buren lijken dat idee te steunen, want een deur verderop liggen twee gewonde soldaten die tot enkele dagen geleden nog in Gaza gelegerd waren. Eén van hen is een Amerikaanse immigrant die zijn linkerarm verloor toen een kassamraket naast zijn tent ontplofte. Zijn vriend kwam daarbij om het leven. De kamergenoot verloor bij gevechten beide benen. Praten met de pers mogen ze niet.

In de kindervleugel zou ook vader Emad Tanani niets liever willen dan teruggaan naar wat er nog over is van zijn huis in Jabalja. „Maar ik probeer naarstig in Israël werk te vinden. En ik moet op de een of andere manier mijn familie uit de Gazastrook zien weg te halen.”

mailIcon print |