*

 

’We delen een hartslag’

Sander Hiskemuller − 26/03/09, 00:00

De nog jonge Dansgroep Amsterdam is een unie van tegengestelde krachten. Vandaag gaat hun eersteling in première: ’Fier!’

  • Beeld uit ¿SUB¿ bij de Dansgroep Amsterdam, choreografie Itzik Galili. (FOTO LEO VAN VELZEN)
  • (\N)

’Fier!’ staat er pront op het affiche. In het midden zien we een danser met zijn mond wijd open staan. Alsof er een oerschreeuw uit zijn diepste ’guts’ dondert. ’Kom maar op’, straalt hij uit –stoer, geaard– fier.

Wat een vraag! Natuurlijk zijn choreografen Krisztina de Châtel en Itzik Galili ’fier’ op het eerste programma dat onder de paraplu van hun Dansgroep Amsterdam tot stand is gekomen. Maar ’Fier!’ slaat niet alleen op de trots van het nieuwe hoofdsteedse dansnest, we moeten de titel vooral echt letterlijk nemen. „Dansgroep Amsterdam draait expliciet níet alleen om ons”, zegt Krisztina de Châtel, oermoeder van de minimalistische dans in Nederland. „Wij gaan vooral ook gelegenheid bieden aan nieuwe mensen.”

„Fier slaat ook op ’vier’, het getal,” legt Itzik Galili uit. „Fier choreografen in één programma.” De f/v-verwisseling zij het nieuwe Amsterdamse dansgezelschap vergeven – dat is nog eens charmant aanpalen bij het Mokumse accent!

In het eerste programma van Dansgroep Amsterdam, vanavond in première in het Amsterdamse theater Bellevue, komt naast werk van De Châtel en Galili dus ook werk van twee andere choreografen in de spotlights te staan. Monique Duurvoort, in 2007 tijdens de Nederlandse Dansdagen onderscheiden als ’beste talentvolle choreografe’ en Mark Baldwin, de reeds gearriveerde choreograaf van de Engelse Rambert Dance Company. Maar een visitekaartje mag de artistieke eersteling ’Fier!’ niet heten. „De groep kan nog alle kanten op”, benadrukt Galili stellig. „Dat is belangrijk. Je moet nieuwe wegen blijven zoeken. Artistieke starheid is de hond in de pot.”

Dansgroep Amsterdam leek bij de lancering op 1 januari, de start van het nieuwe kunstenplan waarin het gezelschap in de basisinfrastructuur (BIS) werd opgenomen, nog zo’n vreemde onderneming. Een dansunie van de tegengestelde krachten Krisztina de Châtel en Itzik Galili.

Hoe kan zoiets werken? Zij: spraakwaterval, aimabele twinkeling van achter een strenge bril. Hij: behoedzaam prater, een charmeur met glansogen waarin iets ondoorgrondelijks huist. Zij is Hongaarse van geboorte, hij Israëlier. Ook in danstaal zijn ze ver van elkaar verwijderd. De Châtels repetitieve, rechtlijnige minimalisme, tot in detail uitgesponnen bij haar Dansgroep Krisztina de Châtel, tegenover de rauwe emotie en zwartgerande dansexpressie waarmee Galili als artistiek leider van het Groningse NND/Galili Dance ons land van Midden-Oosters temperament voorzag. Geordende precisie versus door gevoel gedreven chaos. Maar beide dansmakers staan ook bekend om hun straightness en maatschappelijk engagement. Hun werk is even betrokken en ’aards’. De Châtel: „Allebei met onze poten in de klei. We delen een hartslag.”

Ja, ze gaven hun zekerheden op. Het ’kwaliteitsmerk’ Dansgroep Krisztina de Châtel, dertig jaar succesvol, werd voor dit initiatief losgelaten, Itzik Galili verliet na elf vette jaren de goede Groningse dansgrond en sprong in dit diepe. „Tijd voor nieuwe oogst”, aldus De Châtel. Zij was al jaren op zoek naar een nieuwe structuur om vanuit te werken. „Ik zou wat ik bereikt heb kunnen oppotten, maar ik vond het interessanter mijn kennis in te zetten voor een beter Nederlands dansbestel, te investeren in de toekomst.”

Want door beider jarenlange ervaring vormen ze ook een gepokt en gemazeld dansverbond waarin nieuwe initiatieven kunnen floreren en talent kan worden gescout. De Châtel: „Talent als Monique Duurvoort krijgt bij ons niet alleen de kans, maar wordt ook van begin tot eind onder onze artistieke leiding ’verzorgd’.” Galili: „Dat is uniek voor Nederland. Meestal krijgt talent wel de kans, om het vervolgens aan zijn eigen lot over te laten.”

Het nemen van risico’s wordt belangrijk. Het aanbrengen van dwarsverbanden met beeldende kunst en architectuur –Krisztina de Châtels eigen kunstqueeste van de afgelopen jaren– wordt dat eveneens. Ook het presenteren van iemand als Mark Baldwin –als roerganger van Rambert Dance één van de internationale top-10 van moderne choreografen– zal de dans „in zijn totaliteit” goed doen. Galili: „Het is voor onze dansers belangrijk om met zo’n maker te kunnen werken. Het gaat dan niet alleen om de kwaliteit van het eindproduct, het gaat om het hele proces.”

Veelomvattend. Maar als er één speerpunt in het artistiek beleid moet worden genoemd? Galili: „De locatieprojecten, waar Krisztina al dertig jaar geleden mee is begonnen, maar wat in de dans nu pas echt begint aan te slaan.” Zo wordt er met het Van Gogh Museum een locatievoorstelling ontwikkeld om nieuwe publieksgroepen te genereren en op het festival Julidans zal de groep een samenwerking aangaan met de Academie van Bouwkunst en opleiding Scenografie van de Theaterschool Amsterdam. Zeer belangrijk vinden beide choreografen dat. „Kunst is altijd een reflectie van wat er maatschappelijk aan de hand is”, zegt Galili. „Met onze klauwen midden in de stad”, verklaart De Châtel.

Des te wranger is het, dat juist de Amsterdamse Kunstraad vraagtekens zette bij hun dansante monsterunie – ’te wijd uiteenlopende artistieke visies’ – en de subsidieaanvraag niet honoreerde. Heeft Amsterdam nu een stadsgezelschap tegen wil en dank? Onbegrijpelijk dat de stad dit initiatief, in tegenstelling tot het Rijk, niet heeft opgepikt, menen de dansmakers. Onbegrijpelijk dat is gefocust op de tegenstellingen, en niet op de krachtige overeenkomsten. Daaruit kan juist zo iets moois ontstaan. Galili: „Amsterdam heeft het klassieke Nationale Ballet, een paar kleinere, op individuele makers gerichte groepen. Maar een eigen ’handelsmerk’ op dansgebied? Dat heeft de stad nooit gehad. Daar kunnen wij voor zorgen.”

Krisztina de Châtel heeft altijd de communicatieve vertaalslag naar allerlei maatschappelijke groepen gemaakt: locatievoorstellingen met verstandelijk gehandicapten, vorig jaar nog in de Vogelaarwijk Osdorp met twirlers, derwisjen, cross-over soefiemuziek en dansworkshops voor islamitische vrouwen.

De Châtel: „Je zou toch denken dat de stad in haar handjes zou knijpen om dat zó op een presenteerblaadje aangeboden te krijgen. Maar zonder het beoogde geld moeten we de vervolgplannen laten liggen.” Itzik Galili ziet het positief: „Als ze zien wat we doen, gaan ze na verloop van tijd wel overstag.”

Wordt, in dit licht bezien, met ’Fier!’ toch een belangrijk visitekaartje afgegeven? Een statement-van-zijn? „Het beklimmen van de Olympus kost tijd en moeite”, zegt Itzik Galili. „Laat de voorstelling een paar letters op dat visitekaartje zijn.” Krisztina de Châtel knikt instemmend. „We gaan niet voor sprint, maar voor de lange afstand.”

mailIcon print |