*

 

Wie de slachtoffers écht telt, zet zijn reputatie op het spel

Martijn Roessingh − 06/02/09, 00:00

De aandacht voor mensenhandel – waarin jaarlijks naar schatting 2,4 miljoen mensen ’omgaan’ – groeit. Maar ondanks een indrukwekkend aantal nieuwe verdragen is het fenomeen nauwelijks uit te bannen. Het begin van een serie.

  • (Trouw)
  • Den Haag, 10 augustus 2004: een door de gemeente gesloten illegaal verhuurde woning in de Transvaalbuurt. ( FOTO PETER HILZ)

Soms is het glashelder. Als buitenlandse vrouwen zijn verkracht, bont en blauw zijn geslagen en hun inkomsten achter de ramen op de Amsterdamse Wallen moeten afstaan aan een pooier, is er sprake van mensenhandel.

Maar als illegale mannen 1,50 euro per uur verdienen met koken in een restaurant en de mogelijkheid hebben om ergens anders te gaan werken, wordt het schimmig. Is die slechte betaling hun eigen schuld of heeft de uitbuiting door derden zulke vormen aangenomen dat ook zij onder de term mensenhandel vallen?

Beide voorbeelden stammen uit Nederland en beide zijn voor de rechter geweest. Het eerste type slachtoffer kwam naar voren in de Sneepzaak, een groot proces rond een bende mensenhandelaren. Die hielden zo’n 120 vrouwen met dwang in de prostitutie, mishandelden hen op vreselijke manier – tot en met gedwongen abortussen aan toe. De drie hoofdverdachten kregen straffen opgelegd van 2,5 tot 7,5 jaar cel.

In het tweede geval volgde vrijspraak. Doorslaggevend vond de rechter dat de illegalen vrijwillig naar Nederland waren gekomen. Dat ze lange dagen maakten (elf uur per dag), slechts een dag vrij hadden per week en soms pas inkomsten kregen na eerst een tijd voor kost en inwoning te hebben gewerkt, deed daar volgens de rechter niets aan af. Justitie ging in hoger beroep, omdat een vrijwillige komst werkgevers volgens het OM niet het recht geeft de illegalen dan maar uit te buiten.

De eerste groep slachtoffers staat al langer in de aandacht. Prostitutie is en blijft de sector waar mensenhandel het meest in voorkomt. Dat blijkt ook uit cijfers van Comensha, de organisatie in Nederland die de gevallen van mensenhandel registreert en haar gegevens aanlevert aan het Bureau van de Nationale Rapporteur Mensenhandel (BNRM).

In 2008 registreerde Comensha voor zover nu bekend 809 namen van slachtoffers, van wie 459 vrouwen en enkele mannen in de prostitutie aan het werk waren gezet. Comensha vermoedt dat ook van anderen voor wie niet precies kon worden vastgesteld wat hun werkzaamheden waren, veruit de meerderheid in de seksindustrie werkte.

Met 46 zijn de mannen ver in de minderheid, net als het aantal verhandelde mensen waarvan aantoonbaar is dat ze werkten buiten de prostitutie. Maar, zoals Comensha-directeur Ineke Smidt het formuleerde in Cruyffiaanse termen: „Als je het niet weet, dan zie je het niet.”

In 2000 namen de Verenigde Naties een Protocol tegen mensenhandel aan dat de term veel breder definieert dan daarvoor gebruikelijk. Nederland paste vervolgens zijn wetgeving aan. Bij mensenhandel gaat het, zo omschrijft de Nederlandse wet uit 2004 het, om ’uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken’.

Sinds 2002 zoekt de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst er gerichter naar en komen steeds meer gevallen van mensenhandel boven water. Zo waren er de eerdergenoemde Chinese koks, die tegen minimumvergoeding lange dagen maakten in de horeca in Eindhoven. Maar ook waren er illegale Indiërs die werden uitgebuit in een tofufabriek in Dronten, een zaak die tot een veroordeling leidde. En er doken Bulgaren op die onder treurige omstandigheden werkten in de hasjproductie. Hun paspoorten waren afgenomen om te zorgen dat ze niet vertrokken, voordat ze hun bizar hoog opgelopen schuld hadden afbetaald. In die zaak volgde vrijspraak.

De VN is bepaald niet de enige internationale organisatie die landen ertoe aanzet het probleem van mensenhandel breder te bekijken. De Raad van Europa nam in 2005 een Verdrag inzake bestrijding van de mensenhandel aan waarin expliciet staat dat ook andere vormen van gedwongen arbeid strafbaar zijn en opgespoord moeten worden. Daarnaast heeft de Europese Unie harde afspraken over het onderwerp gemaakt en er liggen aanbevelingen van de OVSE over de aanpak en registratie van mensenhandel. Al die organisaties manen hun lidstaten keer op keer werk te maken van verbetering van de wetgeving, vervolging van de daders en hulp aan slachtoffers.

Vooral de Raad van Europa heeft impact. Haar verdrag is bindend en dat hebben ze in Frankrijk al gemerkt in de zaak van een 15-jarig Togolees meisje. Die had als huissloof moeten werken in een gezin en was dermate klemgezet dat ze daar niet aan kon ontsnappen. Onder het Franse recht kon ze haar gelijk niet krijgen. Het Europese Hof oordeelde echter dat Frankrijk het meisje moest compenseren, omdat het land had nagelaten zijn wetten aan het Verdrag van de Raad van Europa aan te passen. Die uitspraak maakte duidelijk dat ook in (Europese) landen waar de wetgeving achterblijft, de bredere definitie van mensenhandel is gaan gelden.

Daarmee is het probleem nog niet weg. En niemand weet hoe omvangrijk het is. „Je gaat toch geen cijfers vragen”, zegt Riikka Puttonen van het VN-bureau voor drugs en criminaliteit (UNODC), die dikke rapporten helpt produceren over het fenomeen. Zij wijst op een structureel probleem bij de analyse: juist landen die goed onderzoek doen en registreren, zoals Nederland, eindigen hoog op ranglijstjes van probleemlanden op dit thema. Nederland staat om die reden in de top-10 van belangrijkste aankomstlanden wereldwijd. Terwijl in landen die geen of gebrekkige gegevens opsturen juist de meest omvangrijke mensenhandel plaats kan hebben.

De enige organisatie die wel een gooi doet naar de omvang van mensenhandel is de ILO – de International Labour Organization. Zij telt op basis van onderzoeken van haar eigen bureaus wereldwijd minstens 2,4 miljoen gevallen per jaar, waarvan maar liefst de helft kinderen. Handel in en vanuit Azië treft 1,4 miljoen mensen, daarna volgen Europa en de VS (270.000), Latijns-Amerika (250.000), de Arabische wereld (230.000), de voormalige Sovjet-Unie (200.000) en Afrika bezuiden de Sahara (130.000). De totale opbrengt voor handelaren zou minstens 30 miljard dollar op jaarbasis bedragen. Maar iedere internationale deskundige die je naar de redelijkheid van dit soort schattingen vraagt, likt aan een wijsvinger en steekt hem omhoog.

Dataverzameling is belangrijk, omdat alleen zo trends naar voren komen die tot systematisch onderzoek kunnen leiden en uiteindelijk tot vervolging. Maar er zijn niet voor niets zo weinig betrouwbare cijfers. In veel landen wordt mensenhandel niet als probleem gezien of beschouwd als ondergeschikt aan andere problemen zoals armoede.

Ook willen landen niet een stigma krijgen als locaties waar dit soort criminaliteit hoogtij viert. Dat heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat de ‘politiek neutrale’ VN wel mogen proberen rapporten samen te stellen waarin de gebrekkige officiële overheidscijfers worden verzameld, maar die cijfers niet mogen analyseren of zelf ‘verrijken’. Stel je voor dat zou blijken dat in sommige landen een stijging plaatsheeft, omdat hun wetgeving achterloopt bij buurlanden, of dat hun registratie onaannemelijk is, omdat uit andere bronnen veel hogere cijfers zijn af te leiden.

Toch zijn dataverzameling en -analyse niet eens het grootste probleem. „Implementatie”, zegt Blanca Tapia van de OVSE onmiddellijk. Alle conventies en verdragen zijn doordacht en waardevol, maar de aanpassing van lokale wetgeving blijft vaak ver achter.

Om over de opvang van slachtoffers en de vervolging van daders nog maar te zwijgen. De OVSE probeert via scholing en specialistische assistentie landen bij te brengen hoe ze de handel kunnen aanpakken.

De OVSE vindt het cruciaal dat landen één coördinerend orgaan of persoon hebben, met zicht op alle facetten van het probleem. Dus niet alleen op de meldingen van verhandelde slachtoffers, maar ook op de hun opvang, op het verloop van processen waarin hun getuigenissen een rol spelen, op de wijzigingen in de wetgeving die voor succesvolle vervolging nodig zijn, op de internationale verzoeken tot samenwerking bij onderzoek, op de nieuwe regels voor arbeidsrecht, op de voorlichting aan potentiële slachtoffers, enzovoort.

Nederland geldt als ‘voorbeeldland’, melden veel internationale specialisten. Het heeft een Nationale rapporteur mensenhandel en een stichting (Comensha) die opvang en registratie coördineert. De meeste andere landen, ook in Europa, ontberen dat. Maar zelfs in Nederland concludeert Comensha dat te veel informatie op basis van vrijwilligheid moet binnenkomen en dus soms helemaal niet komt.

mailIcon print |