*

 

Witte reus op de wieken

Koos Dijksterhuis − 07/02/09, 00:00

Als je eenden voert, komen ze eraan gestormd. Ze landen op het smeltende ijs en schuiven meters door. Ze glibberen met zwaaiend staartje terug.

  • Een knobbelzwaan op ijs. (Koos Dijksterhuis)

Het knobbelzwanenstel dat hier al jaren om de hoek broedt, zwemt nu niet voorbij, maar wandelt op het ijs. Na elke stap glijdt de grijze zwemvlies een vlieslengte door. Langlaufen. Ze slobberen minihapjes uit plassen op het ijs. Smeltwater is rijk aan piepkleine hapjes. De zwanen slobberen met gestrekte hals in plassen op afstand.

Ze doen dat kennelijk liever dan een vlakbije plas beslobberen. Daarvoor zouden ze hun hals moeten buigen. Hun hals buigen ze ook niet als ze vliegen. Dan deint hun lijf in een wipwapbeweging mee met hun zingende vleugeltoppen. Hun hals steekt recht vooruit en hun kop blijft op gelijke hoogte. Zoals een reiger in vlucht zijn hals opvouwt, kom daarmee niet aan bij een zwaan. Dat vliegen is trouwens geen sinecure.

Ze hebben dan wel enorme vleugels, maar die moeten dat logge waggellijf omhoog zien te krijgen. Daarvoor is een ferme aanloop nodig. Klapwiekend komen zwanen in beweging, steeds sneller flappen ze met hun vliezen over het water tot ze na twintig, dertig meter zoveel vaart hebben dat de tegenwind hun vleugels omhoog duwt. De zwanen van om de hoek wonen aan het eind van een zijsloot. Die is te kort voor hun aanloop. Een paar keer per dag lokt een daverend klapwieken mij naar het raam.

Van boven zie ik hoe de zwaan bijna, maar nog niet helemaal op de wieken gaat. Om de oever te ontwijken, moet de vogel tijdens zijn aanloop een haakse bocht nemen. Het lukt! De witte reus wiekt ervandoor.

mailIcon print |