Het fundamenteelste beginsel van ons strafrecht staat op de tocht nu het Hof heeft besloten Geert Wilders alsnog te laten vervolgen, betoogt rechtsfilosoof Gelijn Molier.
’Men neme de Koran: dit inferieure boek volstond om er een wereldreligie op te grondvesten, twaalf eeuwen in de metafysische behoefte van miljoenen mensen te voorzien, de grondslag voor hun moraal te leggen, en een opvallende minachting voor de dood te kweken; bovendien wist het hen te enthousiasmeren voor bloedige oorlogen en omvangrijke veroveringen. In dit boek worden we geconfronteerd met de treurigste en armzaligste vorm van het theïsme. Er mag dan weliswaar veel door de vertaling verloren zijn gegaan, maar ik heb er niet één waardevolle gedachte in kunnen ontdekken.”
Nee, dit citaat is niet afkomstig van Geert Wilders noch van Filip de Winter. Het betreft hier een passage uit ’De wereld als wil en voorstelling’ van de grote Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860). Is hier sprake van het beledigen van religieuze symbolen of figuren? Ongetwijfeld. Is hier ook sprake van het zich opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun godsdienst? Nee.
Toch zou Schopenhauer, op grond van de beschikking die het Hof onlangs deed uitgaan in de zaak-Wilders, strafrechtelijk kunnen worden vervolgd voor overtreding van artikel 137 c Sr. Het Hof stelt namelijk dat het beledigen of bespotten van religieuze symbolen tevens beledigend voor een groep is: „Uit het diskwalificeren en minachten van bepaalde eigenschappen, tradities of symbolen (Allah, Mohammed en de Koran) kan belediging van een groep mensen worden afgeleid.”
Waar staat dat dan? In elk geval niet in artikel 137c Sr. Het openbaar ministerie meende dan ook eerder dat voor strafbaarstelling van Wilders op deze grond geen basis is in het Nederlandse strafrecht. „De uitlating moet over een groep mensen en zijn kenmerk gaan. Indien dat niet het geval is, biedt art. 137 Sr geen bescherming.”
Het Hof zet in zijn beschikking het fundamenteelste beginsel van het strafrecht aan de kant, te weten het legaliteitsbeginsel: geen straf(vervolging) zonder voorafgaande wettelijke strafbepaling. Dit verschaft de burger rechtzekerheid en beschermt hem tegen willekeurig overheidsoptreden.Welke juridische rechtvaardiging geeft het Hof voor het buiten spel zetten van dit beginsel? Het acht „het taalkundige onderscheid tussen ’beledigend voor een groep’ en ’beledigend over een groep’ gekunsteld”. Gekunsteld of niet, door art. 137c Sr. uit te breiden tot indirecte belediging eigent het Hof zich wetgevende bevoegdheden toe. Daarom haast het zich vervolgens te zeggen „dat indirecte belediging – een groep beledigen door middel van aantasting van bepaalde symbolen – zowel door de Hoge Raad als door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) reeds uitdrukkelijk is aanvaard.”
Toch is het volstrekt onduidelijk – in de beschikking staat slechts één verwijzing naar een uitspraak tegen Turkije – hoe de jurisprudentie van het Europese Hof een rechtvaardiging zou kunnen vormen voor de uitbreiding van een Nederlandse strafbepaling.
Ten eerste beschermt het Europese Hof de rechten van het individu tegen de staat, en kan het nooit zelf de basis vormen voor strafbaarheid. Ten tweede laat het Europese Hof slechts een beperking van een fundamenteel recht toe (zoals inperking van de vrijheid van meningsuiting) wanneer het nationale recht hier een grondslag voor biedt. En die is er nu juist in Nederland niet, aangezien het Nederlandse wetboek van strafrecht geen strafbepaling kent die indirecte belediging verbiedt. Met andere woorden: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kan niet gebruikt worden om iets in Nederland strafbaar te maken. Dit is zelfs in strijd met het Verdrag zelf. Dat het Europese Hof soms een beperking van de vrijheid van meningsuiting toelaat in geval van indirecte belediging kan daarom voor de strafbaarheid van Wilders in Nederland geen verschil maken.
Dan de jurisprudentie van de Hoge Raad. Die zou in deze zaak wel relevant kunnen zijn. Het Hof verwijst wederom naar slechts één zaak, te weten die van dominee Herbig. Dit is een wel heel ongelukkig voorbeeld. Dominee Herbig werd door de Hoge Raad vrijgesproken van het opzettelijk beledigen van een groep mensen vanwege hun homoseksuele gerichtheid. In een ingezonden brief in de Twentsche Courant Tubantia had hij zich beklaagd dat men tegenwoordig maar „tolerant moest zijn in de richting van vieze en vuile zonden” als homoseksualiteit. De Hoge Raad stelt dat de uitlating op zichzelf, los van de context, voor homoseksuelen beledigend is, aangezien hiermee de waardigheid van de betreffende groep mensen wordt miskend. De context waarin de dominee zijn uitlating deed – ter verkondiging van een geloofsovertuiging – maakt evenwel dat hij toch niet strafbaar is. Ook was er geen sprake van onnodig grievende bewoordingen.
Om te voorkomen dat de vrijheid van godsdienst een rechtvaardigingsgrond zou worden voor het doen van op zichzelf beledigende uitspraken voegt de Hoge Raad nog toe dat de uitlating voor de verdachte van betekenis is voor een maatschappelijk debat.
Deze uitspraak van de Hoge Raad is om twee redenen een slecht voorbeeld. Allereerst werd door de Hoge Raad juist geen strafrechtelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting aanvaard. Ten tweede ging het hier niet om opzettelijk beledigende uitlatingen over een groep mensen vanwege hun godsdienst, maar vanwege hun homoseksuele gerichtheid. Waarschijnlijk sluit het Hof aan bij de interpretatie van de minister van justitie, die in een brief aan de Tweede Kamer inzake uitbreiding van art. 137c Sr. stelde dat uit het arrest kan worden afgeleid „dat de belediging van een gezamenlijke eigenschap van een groep mensen werd vereenzelvigd met de rechtstreekse belediging van de groep”.
Maar de analogie met Wilders gaat niet op. De Koran of de Profeet kunnen toch moeilijk beschouwd worden als een ’gezamenlijke eigenschap’ van moslims. Het doet derhalve nogal vreemd aan om op basis van deze twee rechterlijke uitspraken te stellen dat ’indirecte belediging’ al uitdrukkelijk door de jurisprudentie is aanvaard. Nadat het Hof op grond van deze wel erg smalle basis art. 137c Sr uitbreidt tot indirecte belediging, kan zij vervolgens stellen dat uitlatingen van Wilders – waarin hij de islam omschrijft als de ’fascistische islam’ en de Koran typeert als ’het islamitische Mein Kampf’ – beledigend is voor een groep mensen vanwege hun godsdienst. Hoe verwerpelijk dergelijke uitlatingen ook mogen zijn, deze rechtvaardigen nog niet het op losse schroeven zetten van het legaliteitsbeginsel. Willen we in Nederland indirecte belediging bestraffen dan zullen we de strafwet moeten aanpassen.
De vraag óf we dat moeten doen is echter geen juridische, maar een politieke vraag die tussen regering en kamer bediscussieerd zal moeten worden. De Minister van Justitie meent van wel en heeft reeds in een brief aan de Tweede Kamer een voorstel tot uitbreiding van art. 137c Sr gedaan.
Ik meen van niet. Aanscherping van artikel 137c Sr is in mijn ogen een heilloze weg. Wederom een citaat van Schopenhauer: „Religies zijn voor een volk noodzakelijk en van onschatbare waarde. Wanneer ze echter de vooruitgang van de mensheid op het gebied van de kennis van waarheid willen tegenhouden, moeten ze met de grootst mogelijke omzichtigheid aan de kant worden geschoven.” Fundamentele religiekritiek is en blijft onontbeerlijk voor een open samenleving, maar zal tegelijkertijd al snel als beledigend voor gelovigen kunnen worden aangemerkt.
Het probleem is ondertussen dat het recht gelovigen dubbel bevoordeelt. De godsdienstvrijheid geeft hun meer ruimte voor het doen van op zichzelf beledigende uitlatingen – mits die gerelateerd zijn aan hun geloof. Tegelijkertijd beschermt diezelfde godsdienstvrijheid hen tegen kwetsende uitlatingen van anderen. Om deze dubbele ongelijkheid tegen te gaan, pleit ik ervoor de woorden ’godsdienst of levensovertuiging’ uit artikel 137c Sr te schrappen. Daarmee wordt ook beter recht gedaan aan de aard van deze bepaling, aangezien de overige elementen in het artikel allemaal betrekking hebben op een in beginsel onveranderlijke zijnswijze van de mens: ras, seksuele geaardheid en handicap. Godsdienst of levensovertuiging daarentegen hebben betrekking op een bepaalde Welt-anschauung. Dit komt ook fraai tot uiting in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarin staat dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging tevens de vrijheid omvat om van godsdienst of levensovertuiging te veranderen.
Worden gelovigen daarmee vogelvrij? Allerminst. Artikel 137d Sr, dat onder meer het aanzetten tot haat of geweld tegen mensen, en discriminatie wegens godsdienst verbiedt, geeft voldoende mogelijkheden om moslims tegen de uitspraken van Wilders te beschermen. Een bijkomend voordeel is dat op deze wijze wordt voorkomen dat de rechter op de stoel van de theoloog moet gaan zitten, telkens als hem een oordeel wordt gevraagd naar de strafbaarheid van beledigende uitspraken die op basis van een heilig boek zijn gedaan. Omdat hij daartoe niet is opgeleid, zal hij immers veelal een beroep moeten doen op het dikwijls niet eensluidende oordeel van deskundigen. Uit het oogpunt van rechtszekerheid is dat onwenselijk.
Ten slotte nog iets over de zogeheten ’signaalfunctie’ die van de strafvervolging van Wilders zou uitgaan. De overheid zou zo aan de moslims in Nederland laten zien dat zij hen niet in de steek laat. Het idee daarachter is dat kwetsbare groepen extra bescherming behoeven omdat beledigingen hun maatschappelijk functioneren en zelfvertrouwen kunnen aantasten. Ook het Hof lijkt hierop te wijzen als het stelt dat vervolging van Wilders gewenst is vanwege zijn harde en algemene diskwalificaties die zouden aanzetten tot haat en daarmee bevolkingsgroepen tegen elkaar zouden opzetten. Het strafproces zou duidelijkheid scheppen over de juridische grenzen van het maatschappelijk debat, wat de maatschappelijke verhoudingen ten goede zou komen.
Met evenveel recht zou je kunnen beweren dat de maatschappelijke onrust als gevolg van de strafvervolging alleen maar zal toenemen. De aanhang van Wilders zal hierin juist een bevestiging zien van hun opvatting dat ’Den Haag’ hen in de steek laat, allochtonen voortrekt en hun politiek leider de mond wil snoeren. Dat gevoel zal alleen maar versterkt worden als Wilders wordt veroordeeld. En wat als de rechter Wilders uiteindelijk vrijspreekt? Zal de moslimbevolking zich dan niet helemáál vogelvrij voelen? En zal de aanhang van Wilders zich niet nog meer gesterkt weten in het doen van ’stevige’ uitspraken?
Het bevel tot strafvervolging van Wilders, kortom, is zeer problematisch. Er zijn grenzen aan wat het recht vermag.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.