Een jaar voor zijn dood schreef Voltaire de ’De dialogen van Euhemeros’, over de ziel, God, de kosmos, de voortplanting, etc. Volgens Marinus de Baar blijkt eruit dat de filosoof verbitterd en verzuurd was geraakt.
In deze twaalf dialogen, die Voltaire in 1777 publiceerde, wordt vanaf de eerste bladzijde de toon gezet als aan Euhemeros, een stoïcijns filosoof, wordt gevraagd wat hij op zijn vele reizen zoal gezien heeft en hij dan antwoordt: ’Niets dan waanzin.’
En Voltaire, want die is het die de rol van Euhemeros op zich neemt, doet het een bladzijde verder nog eens dunnetjes over als hij Euhemeros laat zeggen: „Ik heb de halve wereld rondgereisd, en ik heb niets anders gezien dan waanzin, ellende en misdaad.”
Een jaar later was Voltaire dood ; de Nederlandse uitgeverij presenteert deze dialogen als zijn filosofisch testament. Waren de jaren Voltaire zwaar gevallen en was hij mettertijd verbitterd en verzuurd?
Ach, sarcastische opmerkingen over de waanzin van de wereld maakte hij al decennia voordat hij dood ging. Maar vrolijker is hij met het vorderen van de jaren niet geworden. Op de buste die Houdon van Voltaire maakte, kort voor diens overlijden in 1778, speelt er een grimlach rond de tandenloze mond.
Als jongeman werd Voltaire naar een jezuïetencollege gestuurd, misschien wel de beste middelbare school van Parijs. Hij heeft er veel geleerd over de geschiedenis en de dogma’s van de Kerk. Zijn hele verdere leven heeft hij gebruikt om de gevaarlijke waanzin waar die soms op uitlopen te bestrijden.
Het is waanzin, maakt Voltaire duidelijk in een van de dialogen, om de ware aard van de ziel te willen vaststellen. Volgens sommigen vertoeft de ziel negen maanden in de baarmoeder, tussen de met urine gevulde blaas en een met fecaliën gevulde darm, en is zij de zetel van al onze gedachten over het ware, het schone en het goede. Dergelijke waanzin wordt gevaarlijk als men wat theologen menen te weten over de ziel, vastlegt in geloofszekerheden die te vuur en te zwaard worden verdedigd of bestreden.
Er zijn in deze twaalf dialogen van Euhemeros twee hoofdlijnen te vinden. De eerste zes gaan over vraagstukken van metafysische aard: of er zoiets als een ziel is; of God bestaat en zo ja wie er dan verantwoordelijk is voor alle ellende op aarde. En de laatste zes dialogen gaan over fysica: wat we weten of denken te weten over de kosmos, de aarde, het ontstaan van bergen, over voortplanting en het zich vormen van nieuw leven.
Als er iets is dat Voltaire’s denken over metafysica en fysica gemeenschappelijk heeft dan is dat wel bescheidenheid en terughoudendheid. Er is weinig wat we zeker weten en veel blijft voor ons verborgen. Daarom moeten we ons niet te buiten gaan aan allerlei veronderstellingen. Maar dit weet Voltaire zeker en houdt hij staande tegenover de materialisten en atomisten van zijn tijd: dat er een God is die alles heeft geschapen. Dat zie je aan het ’intelligent design’ van elk organisme.
In huidige debatten over de plaats van het geloof en de vrijheid van meningsuiting wordt de filosofische erfenis van Voltaire er nog wel eens bij gehaald. We moeten geen dogma’s verkondigen maar de dialoog aangaan.
Mooi, maar dan moet je toch wel bedenken dat Voltaire in de tweede helft van ’De dialogen van Euhemeros’ opnieuw ongenadig afrekent met elke natuurwetenschapper of filosoof die er in zijn ogen onhoudbare ideeën op na hield over hoe de aardkorst is gevormd of het leven is ontstaan. Wat klinkt het dan vroom als Euhemeros in de derde dialoog zegt: „Ik zal u mijn mening nooit anders geven dan in de vorm van twijfel.”
Er zijn nota bene tijdgenoten van Voltaire die we nu enkel kennen omdat hij ze onsterfelijk heeft gemaakt – onsterfelijk belachelijk, wel te verstaan. Misschien was Voltaire met het klimmen der jaren toch wel wat verzuurd en verbitterd geraakt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.