*

 

Hoe het voelt om uit vuilnisbakken te eten

Annemarié van Niekerk − 07/02/09, 00:00

Op een beroepsbevolking van achttien miljoen kent Zuid-Afrika vier miljoen werklozen, en daarmee ook een massa zwervers waar niemand raad mee weet. ’s Nachts verzamelen ze zich onder viaducten, in lege rioolbuizen en portieken. In Kaapstad zoeken ze de hellingen van de Tafelberg op. Vandaar dat het woord ’bergies’ synoniem geworden is met ’daklozen’. Hier en in andere grote steden is een door misdaad en geweld beheerste schaduwmaatschappij ontstaan.

  • Een paar van de duizenden daklozen die Kaapstad telt. (Trouw)

Om deze wereld waarheidsgetrouw weer te geven heeft E.K.M. Dido (*1951) zich enige tijd onder zwervers gemengd. Ze wilde weten hoe het voelt om uit vuilnisbakken te eten en in ijskoude nachten stijf tegen stinkende lijven aan te liggen. Van deze ervaringen aan de zelfkant is haar roman ’Een ander ik’ het resultaat.

Dido is niet de eerste Zuid-Afrikaanse auteur die over het daklozenbestaan schrijft. Veertig jaar geleden kwam Athol Fugard, onder meer bekend om het verhaal waarop de film ’Tsotsi’ werd gebaseerd, met het tragikomische toneelstuk ’Boesman en Lena’. En dan is er ook nog Zekes Mda’s recentelijk vertaalde roman ’De walvisroeper’.

Hoofdpersoon van ’Een ander ik’ is Geertruide Reiger, schoolhoofd, promovenda, getrouwd en moeder van twee zoons. Haar verhaal begint op het moment dat ze ontwaakt uit een coma die haar zes maanden aan een ziekenhuisbed heeft gekluisterd. Stukje bij beetje herinnert ze zich hoe ze tijdens een autorit werd overvallen door vier mannen die haar zo ernstig hebben mishandeld dat ze voor dood wordt achtergelaten.

Hoewel Geertruide beroofd is van haar geheugen en dus ook van haar identiteit, moet ze na haar herstel het ziekenhuis verlaten om plaats te maken voor een volgende patiënt. Na een kort verblijf in een nachtopvang, vlucht ze de straat op. Daar krijgt ze al gauw een kameraad die haar wegwijs maakt in de wereld van de daklozen. Dankzij zijn hulp, maar ook dankzij haar eigen innerlijke kracht overleeft ze de helletocht.

Geleidelijk groeit het identiteitsverlies uit tot het belangrijkste thema van het boek.

Jammer genoeg laat Dido de mogelijkheid liggen om dit gegeven uit te bouwen tot een metafoor voor de problemen waar Zuid-Afrika mee te kampen heeft. Maar Dido is nu eenmaal geen schrijfster die houdt van slim uitgewerkte symboliek. Ze wil allereerst een bepaald gevoel op haar lezers overdragen. En dat lukt haar meestal ook. Ze roept het zwerversbestaan zo realistisch op dat de lezer de uitzichtloosheid en angst haast lijfelijk ervaart.

Maar de geloofwaardigheid neemt af wanneer Geertruide al te gemakkelijk voorbijziet aan voor de hand liggende oplossingen. Waarom is ze bijvoorbeeld niet bereid haar geschiedenis, die ze met behulp van krantenleggers in de stadsbibliotheek heeft ontdekt, met anderen te delen? Trots alleen kan toch niet de reden zijn. Zo is er meer dat op gespannen voet staat met de waarschijnlijkheid. Al met al doet het geforceerd aan dat Geertruide gevangen blijft in haar situatie, omdat juist zij in staat moet worden geacht een uitweg te vinden.

Wanneer Geertruide na twee jaar gereed is om de confrontatie met haar man en kinderen aan te gaan, doemt een onverwacht dilemma op dat cruciaal is voor de spanning van de roman en dat ik dus maar beter kan verzwijgen. In elk geval weet Dido, in overeenstemming met de onsentimentele toets van het verhaal, de verleiding van een happy end te weerstaan.

’Een ander ik’ raakt aan netelige kwesties in de Zuid-Afrikaanse samenleving. Wat het boek ondanks bepaalde onhandigheden de moeite waard maakt, is Dido’s vermogen om de keerzijde te laten zien van maatschappelijke problemen. Zuid-Afrika lijdt onder de situatie met de daklozen en de daarmee gepaard gaande criminaliteit, maar de daklozen lijden daardoor niet minder onder onverdraagzaamheid. Aan hun veronachtzaamde leven geeft Dido stem en gezicht.

mailIcon print |