*

 

Hoezo, een rechtvaardige oorlog?

Jos Palm − 07/02/09, 00:00

Oorlogsverslaggevers in Irak en Afghanistan vragen zich af waar de bevrijders mee bezig zijn. De Amerikanen en hun bondgenoten bedienen zich van bedenkelijke methoden. Bovendien hóeven de te bevrijden volkeren niet zo nodig bevrijd te worden. In drie boeken uiten journalisten hun twijfels. Mag je mensenrechtelijk martelen om je mooie doel je bereiken?

  • Terwijl Amerikaanse militairen in Irak een huis doorzoeken wacht een jongen in zijn kamer op de dingen die komen gaan. (FOTO EPA)

Oorlogsverslaggeving is op herhaling gaan. Dat weten we al sinds het verschijnen van het allereerste getuigenissenboek uit de krijgspraktijk: ’De Peloponnesische oorlog’ van Thucydides, over de strijd tussen Athene en Sparta in de vijfde eeuw v. Chr. Want telkens weer moet Thucydides door emmers vol vuil heen, door moord, plundering, wraak en ongeloofwaardige retoriek. Dat zo’n twintig jaar lang.

Hij begint aan zijn werk omdat hij ’Athener’ is, niet zozeer in geografische, maar in politieke zin, bewonderaar van Pericles, de eerste gekozen leider van de zelfbenoemde vrije wereld, die voor zijn stadsgenoten een soort Obama geweest moet zijn. Thucydides voltooit zijn boek als banneling, sadder and wiser. De vijand, het onbuigzame Sparta en zijn bondgenoten, blijkt niet alleen te bestaan uit onmensen, maar ook uit vrouwen en kinderen die noch om oorlog, noch om slavernij in de Aboe Ghraib-gevangenissen van hun tijd gevraagd hebben.

Wat een glorieverhaal had kunnen worden, wordt een niets en niemand ontziende vertelling, waarin ook de mateloze arrogantie van de vrije Atheense grootmacht niet verzwegen blijft -- de verbanning vanwege een mislukte oorlogshandeling van voormalig legeroverste Thucydides zal ongetwijfeld tot die eerlijkheid hebben bijgedragen, maar dat terzijde. Waar het om gaat is de positie van Thucydides. Behorende tot de vrije wereld, laat hij de schaduwzijde van haar optreden zien. De ’democratisering’ van het eiland der Meliërs door uitmoording van alle volwassen mannen en kolonisering met vijfhonderd Atheners, is een tekenend voorbeeld van wat een op hol geslagen ’bevrijdingsdrift’ teweeg kan brengen.

En zo zijn er meer. Thucydides geeft ze, onopgesmukt. Hij is de eerste ’verslaggever’ die kanttekeningen plaats bij ’de rechtvaardige oorlog’. Kan het concept wel deugen als de handelingen dat niet doen? Die vraag stelt hij voor het eerst.

Met die vraag worstelen oorlogsverslaggevers welbeschouwd nog altijd. ’Hoezo rechtvaardige oorlog?’ Die gedachte spat als het ware van de bladzijden van drie recent verschenen boeken over The War on Terror. Prikkeldraad spannen om de ene na de andere bevrijde stad in Irak, waar slaat dat op? vraagt New York Times-correspondent Dexter Filkins zich af in ’De Altijd Oorlog’. In ’Standaardprocedure gevolgd’ over Aboe Ghraib van filmer Errol Morris en van Philip Gourevitch, die eerder een onthutsend boek schreef over de genocide in Rwanda, is de tegenstelling tussen handeling en rechtvaardiging evident. Martelen, ook creatief mensenrechtelijk martelen, mag niet volgens Artikel 3 van de Conventies van Genève. Toch gebeurt het. Hoe kan dat, willen de auteurs weten.

De Belgische journalist Rudi Vranckx overpeinst in ’Stemmen uit de oorlog’ de legitimiteit ervan, voor zowel deelnemers als verslaggevende toeschouwers. „Dit is het Vietnam van mijn generatie, Korea, de Spaanse Burgeroorlog”, schrijft hij ogenschijnlijk enigszins romantiserend in zijn inleiding. Vervolgens komt de lezer in een oorlog terecht waar niemand nog moeite lijkt te doen om zelfs maar zijn morele gelijk te halen en waar men in dat opzicht nog wel iets had kunnen leren van Oompje Ho of de Internationale Brigadisten.

Drie auteurs dus die in het voetspoor treden van Thucydides. Wat leert hun herhalingsoefening over de oorlog tegen het terrorisme die Obama in Irak wil afronden en in Afghanistan kwalitatief wil voortzetten? Allereerst dit: bij een bevrijding heb je in elk geval drie partijen nodig: bevrijders en bevrijden, plus een onderdrukker, die een gemeenschappelijke vijand is of kan worden. Als die er zijn, zoals in 1945, dan is er een heldere rolverdeling mogelijk en heeft het project buitengewoon grote kans van slagen.

Zijn ze er niet of in onvoldoende mate, dan wordt het lastig, Thucydides legt deze eenvoudige waarheid al uit. Het probleem van Amerika en meer algemeen van het Westen is dat de bevrijders bereid zijn, maar de te bevrijde volkeren op zijn minst grote aarzelingen vertonen, erg willig zijn ze hoe dan ook niet.

Hoe dat zo gekomen is, valt uitstekend terug te lezen in de drie boeken. Hoe de Verenigde Staten zich -- overigens met behulp van allerlei slag levensvijandig lokaal gajes, van Taliban tot en met sjiitische doodseskaders in Irak -- de ’bezette’ naties uitschoten en blunderden, zou je het eigenlijke onderwerp ervan kunnen noemen. Want het gaat, de goede bedoelingen ter plaatse ten spijt, steeds weer mis. Er is zelfs een patroon in te ontwaren: Van onhandig en onbenullig, tot kwaad en erger, en tot meer dan dat.

„De Irakezen”, schrijft Filkins over een dorpje, „stonden op hun sprakeloze manier toe te kijken hoe de Amerikanen de Saddams omverhaalden. Ze leken meer op kinderen die zich afzijdig houden en toekijken hoe de tieners plezier maken, en die wel genieten, maar de mogelijkheid bewaren alles te ontkennen ingeval hun ouders thuis mochten komen.” En dan hebben we het nog niet over opmerkingen als ’Saddam is een ridder, schrijf dat op’, die nota bene een onder de dictator vervolgde sjiiet de auteur toevoegt.

Geen lekker begin van een bevrijding zogezegd. En ook al waren er Irakezen die de door Amerika gewenste mei-’45 ervaring hadden, naarmate de bevrijding vorderde nam hun aantal en hun enthousiasme af. Dat even tragische als onvermijdelijke mechanisme is al te zien bij de verjaging van Saddams troepen uit Bagdad -- troepen die overigens gewoon in burger langs de kant van de weg stonden te kijken, terwijl de Amerikanen zich afvroegen waar toch de vijand was. „Na de gevechten komen de plunderaars, er zal chaos zijn, dat is het ergste”, leggen de omstanders uit aan Rudi Vranckx. „We zijn soldaten, geen politie”, hoort hij de Amerikanen zeggen tegen een dokter die smeekt om bescherming van zijn ziekenhuis. Ondertussen wordt ’een ziekenhuisbed volgeladen met de duurste apparatuur naar buiten’ gerold.

De oorzaak van de toenemende haat en afnemende sympathie wordt in de reportages nog eens pijnlijk duidelijk. Amerika was niet voorbereid op het handhaven van een vrede. Ze waren gekomen voor ’zoiets als in de Tweede Wereldoorlog, een grote slag leveren en dan naar huis’, vertellen Amerikaanse soldaten aan Filkins. Zo win je misschien wel een oorlog, maar geen bevrijding.

Op den duur veranderen de Amerikanen ook letterlijk in bezetters. Filkins heeft het in dit verband over het Jekyll en Hyde-karakter van de operatie. Hij ziet een legercommandant, een methodistische predikantenzoon, opgeleid in West Point, veranderen van een goedwillende ’democratiebrenger’ in een ’officier die plezier beleeft aan zijn brute werk’. De man staat voor hem symbool voor de twee Amerika’s: het visionaire en het lompe, gewelddadige. Het laatste bleek beter georganiseerd dan het eerste, schrijft hij.

Kortom: al vrij snel zijn er geen bevrijders meer en geen bevrijden. Het drama Aboe Ghraib, inmiddels symbool van de Amerikaanse ongeloofwaardigheid, kan zo bezien nauwelijks toeval genoemd worden, veeleer was het een even verschrikkelijk als noodzakelijk bedrijfsongeval -- hoe ook hier het mechanisme van onbenullig, tot kwaad en erger zijn werk deed bij de dienstdoende militairen blijkt uit het minutieuze verslag van Gourevitsch en Morris.

In Irak heerst inmiddels een ’oorlog van allen tegen allen’, die wellicht langzaam uitdooft.

„In ons land kan iedereen, behalve je familie en je beste vriend, een moordenaar en een verrader zijn”, verklaart Jassim, een informant van Vranxck, aan de auteur. Om zijn stelling te verduidelijken, geeft hij een voorbeeld: „weet je wat gisteravond op televisie was? Twee politiemannen die bekenden dat ze voor vijftig euro mensen vermoorden.”

Afghanistan, het andere front in de strijd tegen het terrorisme waaraan Filkins een groot hoofdstuk besteedt, lijkt er niet veel beter aan toe. Het Westen is er terecht gekomen in een ogenschijnlijk onbegrijpelijke oorlog van allen tegen allen. „Vandaag bij de Taliban, morgen bij de Noordelijke Alliantie, en overmorgen weer bij de Taliban.” Zo beschrijft Filkins de houding van de ’verlosten’ ter plaatse.

Het mag duidelijk zijn: bevrijden is een kwestie van timing en van potentieel aanwezige steun bij het object van actie. Stel dat de geallieerden hadden besloten nazi-Duitsland in, zeg maar, 1938 te ontzetten, toen Hitler voor de Duitsers in elk geval geen algemeen verklaarde volksvijand was. Had dat dan Irakese toestanden opgeleverd, zoals die ons nu vertrouwd zijn? De vraag behoort tot het zogenoemde genre van de If History. Maar wellicht helpt de denkbeeldige vergelijking ons te begrijpen hoe moeizaam ’het project’ van Amerika is, dat, gezien de recente ’rustige’ verkiezingen in Irak, enige vruchten begint af te werpen.

Thucydides geeft in deze niet werkelijk uitsluitsel. Hij geloofde, ondanks zijn eigen vernederende verbanning van staatswege, in de kracht van de democratie, ofwel in Athene. Niet de ploegschaar maar het zwaard was het instrument van bevrijding. Wat je bij Thucydides wel kunt leren is dat bevrijden geen zaak is van hoogmoed, maar van prudentie. Oorlogsverslaggeving, is zoals gezegd, een kwestie van herhaling.

mailIcon print |