*

 

Waarom is de zachtman zo'n mislukking?

Ger Groot − 05/02/09, 00:00

Vrouwen scheiden vaker van lieve, zorgzame mannen dan van stoere macho’s, zo lees ik in het jongste nummer van Filosofie Magazine. Dat zou blijken uit onderzoek en ik ga ervan uit dat het klopt – temeer omdat eigen waarnemingen ook al in die richting wijzen.

’Al mijn vrouwelijke collega’s’, zo vertrouwde een goede vriendin mij laatst toe, ’vallen op grote, sterke, echt mannelijke mannen’. Zelf begon zij zich onder hen meer en meer een vreemde eend in de bijt te voelen.

Is die vrouwelijke voorkeur voor het stoere iets nieuws of is ze onderhuids nooit weggeweest? Het eerste lijkt aanvankelijk het meest waarschijnlijk. Nog maar een paar jaar geleden werd het ideaal van de ’metroseksueel’ luidop aangeprezen door alle vrouwenbladen en -columnisten die ertoe deden. Mannen moesten een sarong om, en een kind tegen de borst die – dat dan weer wel – bij voorkeur imponerend diende te zijn.

Was de metroseksueel de overgang naar het échte vrouwelijke ideaal dat nu weer uit de kast komt? Feit is dat die sarong het niet lang heeft uitgehouden. Zelfs nog vóór de kortstondige verschijning van David Beckham als sekssymbool moest een vooraanstaande Engelse feministe al constateren dat de vrouwenharten in Londen pas echt begonnen te kloppen bij de bekerwinst van het landelijke ijshockeyteam. Tijdens de huldiging werden hun bonkige gestalten bijna bedolven onder het damesondergoed dat hun door extatische bewonderaarsters werd toegeworpen.

Dat moet voor mannen een verwarrende aanblik geweest zijn, zo constateerde deze feministische oudgediende met spijt – en voor een keer sprak zij een waar woord. Zelden was zó duidelijk geworden dat het principe ’als een meisje nee zegt, bedoelt ze nee’ een prachtig beginsel zou zijn – als die meisjes daar ook zelf van overtuigd waren. De praktijk bewijst te vaak het tegendeel om daar geen twijfels over te hebben.

Zo heel ernstig moeten wij het ideaal van de ’zachtman’ kennelijk niet nemen. Hoe militant masculiene aaibaarheid de afgelopen decennia ook opgeëist is, het echec ervan lag niet alleen aan de chauvinistische masculiene onwil om zich naar de vrouwelijke wil te plooien.

Die verlangens zelf bleken allerminst consistent – en vermoedelijk ook nog eens grotendeels van cosmetische, om niet te zeggen conformistische aard. Een vriend hoorde ooit een goede vriendin verzuchten in haar feministische jaren regelmatig tegen haar eigen diepste verlangens in te hebben gedemonstreerd omdat dat nu eenmaal zo hoorde.

Menige zachtman moet het intussen tamelijk beteuterd te moede zijn. Heeft hij zich jarenlang ingespannen om te voldoen aan alles waartoe hij zich vrouwvriendelijk verplicht achtte, blijkt het uiteindelijk allemaal love’s labour’s lost. In het ergste geval is zijn vriendin er inmiddels met een ijshockeyspeler vandoor.

Eerlijk gezegd voel ik geen overdreven groot medelijden. Helemaal waardig heb ik de hijgerige manier waarop mannen zich plooiden naar de laatste feministische grillen nooit gevonden. De meegaandheid die zich graag liet voorstaan op haar verlichte progressiviteit, leek licht iets van karakterloosheid of zelfs opportunisme te verraden. Er stak iets flemerigs in dat koste wat kost in de smaak wilde vallen bij ’de vrouwtjes’ – die op straffe van excommunicatie uiteraard nimmer zo werden genoemd.

Zouden het al deze valse zachtmannen zijn die door hun echtvriendinnen te langen leste toch nog worden doorzien en ingewisseld voor een hoekiger type? Misschien is dat wat al te gemakkelijk gezegd. Maar het alternatief is zo mogelijk nog ’onverlichter’. Het houdt koppig vol dat het verlangen zich niets gelegen laat liggen aan de geëmancipeerde redelijkheid, die tot haar eigen ontzetting moet ontdekken hoe zwak zij is, en misschien ook wel hoe vluchtig.

mailIcon print |