De traditionele loftuitingen in de Verenigde Staten aan de prestaties van het leger in Irak, waar in 2003 de dictator Saddam Hoessein omver was geworpen, gingen in 2006 steeds meer gepaard met bezorgdheid.
Zelfmoordaanslagen en hinderlagen maakten bijna elke dag slachtoffers en de schattingen van het aantal doden onder de burgerbevolking liepen uiteen van ongeveer honderdduizend tot een half miljoen. De inspanningen om het geweld tot staan te brengen begonnen het leger zwaar te vallen. Het gebrek aan rekruten werd deels opgevangen door militairen maanden langer in Irak te houden voor ze verlof kregen, en door afzwaaiende militairen gedwongen langer te laten dienen.
Aan het eind van het jaar besloot tv-netwerk NBC de situatie als ’burgeroorlog’ te betitelen en spraken hoge militairen openlijk over het ’breekpunt’ dat het leger naderde.
In die situatie lag het meer voor de hand om te besluiten tot een zo eervol mogelijke aftocht uit het verscheurde land dan tot een surge, een tijdelijke extra inspanning. En toch was dat het waartoe Bush begin 2007 besloot. Mede op advies van zijn nieuwe bevelhebber in Irak, David Petraeus, en tegen de zin van veel leden van het Congres en zelfs veel van zijn hoogste militaire bevelhebbers. Er gingen 20.000 troepen extra naar Irak, vooral naar Bagdad.
In 2007 bleef het aantal gesneuvelde Amerikaanse militairen nog een tijdlang oplopen, maar in de tweede helft van dat jaar kwam het keerpunt. Tijdens de verkiezingscampagne in 2008 moest zelfs Barack Obama toegeven dat de surge, waar ook hij tegen was geweest, ’beter had gewerkt dan wie ook zich had kunnen voorstellen’. Zijn tegenstander John McCain had de surge juist gesteund en kon daarmee kritiek op zijn steun voor de inval in Irak pareren.
De Verenigde Staten hebben inmiddels een overeenkomst met Irak over het terugtrekken van de troepen. Die is niet zo smadelijk, en laat het land mogelijk vreedzamer achter, dan twee jaar geleden nog werd gevreesd.
De relatieve rust in Irak is niet alleen te danken aan de komst van extra Amerikaanse militairen. Ook het gewapende verzet van Iraakse groepen tegen de fanatieke islamisten van Al-Kaida heeft een rol gespeeld. En het lijkt al te veel eer om Bush te prijzen voor het feit dat hij de VS uit de rampzalige positie heeft gered waar hij het land zelf in had gebracht.
Hoe je ook over de inval in Irak denkt, Bush deed wat een president in oorlogstijd moet doen: de leiding en de verantwoordelijkheid nemen. De columnist van de New York Times David Brooks voerde in juni vorig jaar zowel de mislukkingen als de successen in Irak terug op dezelfde trek in de man: extreme koppigheid. „De karaktertrekken die in sommige omstandigheden tot rampen leiden, zijn dezelfde die in andere goed uitpakken. De mensen die soms zo verschrikkelijk slim lijken, lijken op andere momenten weer ongelooflijk dom. De parmantige supporters van de oorlog hebben die tot deemoedigheid stemmende les geleerd in de donkere dagen van 2006. En nu krijgen de parmantige tegenstanders van de surge, dronken van hun eigen gelijk, de kans op een lesje in nederigheid.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.