De plotselinge spraakwaterval van verdachte Franklin F. vertraagt paradoxaal genoeg de strafzaak tegen hem. Voor de familie van de doodgeschoten hoofdagente Gabriëlle Cevat is dat teleurstellend.
Een half jaar lang beriep verdachte Franklin F. (49) zich op zijn zwijgrecht. Maar in de aanloop naar het proces tegen hem geeft hij via zijn raadsman Peter Plasman aan dat hij, eenmaal voor de rechter, zijn verhaal zal doen.
Voorzitter G. Janssen van de rechtbank in Amsterdam tikte dinsdag de van moord op politieagente Gabriëlle Cevat verdachte F. meermalen op de vingers. „Ik wil nu écht dat u mij eerst mijn vragen laat stellen, alvorens mij telkens te onderbreken”, wijst de president de verdachte herhaaldelijk, maar vergeefs, terecht. F. is gewoonweg niet te stuiten. Heftig gesticulerend en op vaak hoge toon neemt hij voortdurend, ook ongevraagd, het woord. Als tijdens een schorsing zijn microfoon nog open blijkt, hoort de publieke tribune hem tegen een aanwezige deskundige van het Pieter Baan Centrum haast enthousiast zeggen: „Ik houd van praten.”
Verdachten die zich consequent en tot het bittere einde beroepen op hun zwijgrecht komen niet heel vaak voor. Altijd is er tijdens de detentie wel een prikkel die er voor zorgt dat de verdachte (enigszins) losbrandt. Die prikkels kunnen uitdagende verhoormethodes zijn, het advies van een advocaat, een moment van bezinning of berouw, een gevoel van eenzaamheid, of een metamorfose van de geest na langdurige verslaving.
Slechts weinigen volharden ook tijdens de inhoudelijke behandeling van hun strafzaak in stilzwijgen. Eén van de bekendste uitzonderingen hierop in de laatste jaren is de vader die is veroordeeld voor het doden van zijn dochter Gessica, het zogenoemde Maasmeisje uit Rotterdam. Tot zichtbare irritatie van de rechters liet deze verdachte desgevraagd zelfs de juistheid van zijn geboortedatum en die van zijn voornamen in het midden.
De aanvankelijke weigering van Franklin F. om te praten over de dood van de Amsterdamse politievrouw Cevat vloeit volgens hem voort uit ’slechte ervaringen’. „Het is niet goed om dan weer met die te praten en dan weer met die. Ik praat alleen met de rechter.” Die uitleg is voor rechtbankvoorzitter Janssen niet voldoende en even speelt hij advocaat van de duivel. „U heeft in de afgelopen periode wèl het hele strafdossier kunnen lezen. Misschien zijn de verklaringen die u vandaag aflegt, daarop afgestemd.” F. ontkent dit laatste beslist. „Nee, nee, dat is echt niet zo.”
Pas veel later tijdens de zitting, als de opmerkelijke gebeurtenissen op het politiebureau na F.’s aanhouding van 9 juli worden besproken, komt hij op het onderwerp terug. Voorzitter Janssen heeft hem net voorgehouden dat hij zich volgens agenten, collega’s van de zojuist doodgeschoten Gabriëlle Cevat, ’grof’ gedroeg na zijn arrestatie. „Ik heb schijt aan de politie, zou u hebben geroepen”, houdt de rechter F. voor. „Volgens de verklaringen riep u ook tegen een politieman: ’Ik maak je af en je bent niet de eerste. Ik maak jullie kapot, jullie gaan er allemaal aan.’ En: ’Hee, jij die me vasthoudt, je weet het nog niet, maar jij bent de volgende’.”
F. reageert furieus op de verwijten die de rechter hem voorhoudt uit het dossier. Met stemverheffing: „Ik ben gewend te schreeuwen. De reden is dat ik daar niet zo netjes ben behandeld door de politie. Die heeft me beestachtig behandeld. Ik moest m’n bek houden, ze kraakten m’n knie waaraan ik net was geopereerd, ze lieten me knielen, ik was bont en blauw, naakt en uitgekleed. Ze riepen steeds dat ik mijn smoel moest houden. Eén agent riep: ’Jij bent geen man, ik begrijp niet dat een moeder van zo’n kind kan houden’. Dit terwijl mijn moeder nog maar kort dood is. Ik had pijn en daarom ben ik gaan schreeuwen. Mijn advocaat weet dat allemaal.”
Rechtbankvoorzitter Janssen: „U suggereerde dat u wist dat u een agente had gedood. Dat deed u door tegen één van de politiemensen te roepen: ’Je bent niet de eerste’. Hoe zit dat?” F.: „De GGD is langs geweest op het politiebureau. Ik had hartklachten. Ik heb tegen de verpleegkundige iets gezegd over schieten. Ik herinner me het niet meer.”
Janssen: „De verpleegkundige heeft zich beroepen op zijn verschoningsrecht. Maar er ligt ook een suggestie, van een huisarts, dat u Gabriëlle Cevat kende van een eerder politiecontact met haar. Dat zou kunnen, u bent immers vaker in aanraking geweest met het politiekorps van Amsterdam.” F., doelend op het slachtoffer: „Ik ken haar niet. Ik heb haar nooit gezien.” De rechter: „U zou ook gezegd hebben: ’Ik heb die vrouw neergeknald omdat ze me lastig viel’. En meerdere bronnen zeggen dat u iets heeft gezegd over het politielegitimatiebewijs van mevrouw Cevat.” F. zwijgt vervolgens.
Over de meeste andere onderwerpen praat F., als hij de kans krijgt, aan één stuk door. Haperen tijdens de negen uur durende zitting doet hij alleen op die momenten dat de delicten waarvan hij wordt verdacht, feitelijk aan de orde zijn. Over opvallende kenmerken van zijn karakter is hij daarentegen breedsprakig en ogenschijnlijk heel open.
Over zijn alcoholverslaving zegt hij: „Als ik drink kan ik niet meer stoppen. Dan verlies ik de controle over mezelf. Ik ben op mijn 28ste overgegaan van bier op gedistilleerd, dat was een grote stap. Vanaf 2000 ben ik heftiger gaan drinken. Vier jaar geleden ging het beter maar in 2007 ging het weer fout. Toch heeft mijn werk er niet onder geleden. Ik had geen last van katers, ik ging gewoon naar mijn werk, ook ’s ochtends vroeg.”
Over zijn drankgebruik op de avond van 9 juli vorig jaar, toen hij bij de woning van zijn ex-vriendin hoofdagente Gabriëlle Cevat neerschoot, houdt F. de rechters voor: „Ik had een literfles wodka gekocht en daarvan thuis meteen een volle beker gedronken. Ik heb zoals iedere dag gekookt en gegeten, ik ben namelijk diabetespatiënt. Verder bleef ik maar drinken en drinken. Ik heb de hele fles leeggedronken. Nee, niet voor driekwart, maar helemaal. In het begin heel snel en naarmate de avond vorderde langzamer. Ik was dronken. Ik had thuis een pistool en als ik dan dronken was, ging dat wapen wel eens af. Alleen op 9 juli had ik het buiten op straat bij me. Dat gebeurde anders nooit. Het pistool lag toen op de passagiersplaats naast me in de auto. Eerst kon ik nog goed rijden die avond, maar later werd dat minder. De alcohol verstoorde de werking van mijn medicijnen. Ik weet niet waarom ik dat wapen bij me had. Het was er.”
F. vertelt de rechters over zijn karakter: „Het is voor mij óók een vraag waarom ik dingen doe. Ik heb er geen verklaring voor. Ik ben gewend te schreeuwen en dan zeg ik misschien dingen die ik niet zo bedoel. Ik heb een alcoholprobleem en de relaties die ik had zijn stuk. Ik ben hierdoor in een isolement verzeild.”
Over het neerschieten van Gabriëlle Cevat zegt hij onder meer: „Ik was wazig. Ik zag een schim op mij afkomen en toen was het gebeurd. Het was niet anders. Ik was gewoon verrast. Héél snel, één seconde. Ik wist het niet. Ik draaide me om. Ik heb niemand gezien. Ik zag plotseling een schim. Ik heb het schot gehoord. Ik heb niet geschoten. Het was zeer snel gebeurd. Ik heb niks gehoord. Ik heb niks gezegd. Ik kan niks anders vertellen. Waar was ik eigenlijk? Als ik iets niet heb gezien, heb ik het niet gezien. Mijn geest was gericht op de woning van mijn ex-vriendin.”
Over de dood van Gabriëlle Cevat zegt F.: „Ik schaam mij dood. Ik neem de volledige verantwoording op me en wil niets van mij afschuiven. Ik ben schuldig hoor, ik ben schuldig. Ik ben diep geraakt. Ik heb heel veel spijt. Schaamte, schuldgevoelens, verdriet.”
Over zijn gedragingen meteen na het neerschieten van de hoofdagente: „Ik heb niet aan de trekker van het pistool gedacht. Ik ben terug gaan lopen. Ik was behoorlijk paniekerig. Ik was van plan om bij het huis van mijn ex-vriendin door de voordeur te schieten. Ik heb daar niet meer aan gedacht. Ik ben niet gevlucht, want dan had ik mijn auto meegenomen. Ik was ernstig geschrokken.” F. is meteen na de schietpartij de woning binnengedrongen van zijn, niet aanwezige, voormalige vriendin. Haar zoon en een vriendje ontsnappen via een raam. F. zegt voor de rechtbank: „Pas in de woning, toen ik naar buiten keek, dacht ik: ’Het zal toch niet ernstig zijn’. Ik kan dat niet uitleggen.”
Het is in de volle rechtszaal en op de even drukke publieke tribune dan duidelijk dat de rapportage die het Pieter Baan Centrum (PBC) de afgelopen maanden over F. maakte, voor de rechters geen bruikbaar instrument kan zijn. F. werkte weliswaar mee aan het onderzoek naar zijn psychische gesteldheid, maar weigerde te praten over de delicten zoals hij die zou hebben gepleegd. Dat ligt nu anders, vermoedt een deskundige van het PBC, die de rechtbank aan het eind van de middag onder ede hoort. „We kunnen nu mogelijk veel meer verklaren over het gedrag van F., zijn toerekeningsvatbaarheid.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.