opinie Zo, dat ruimt op. Weg met die sneeuw, weg met die gladde fietspaden. Weg winterse taferelen. Het kan me niet hard genoeg dooien.
Ik hou niet van de kou. Je krijgt er een pijnlijk voorhoofd van en vingers die voelen of ze met messen bewerkt worden. Soms lijkt het alsof er nog maar een halve voet onderaan mijn been zit. ik zie dan, als ik de sokken uit heb, vijf tenen zitten, maar het gevoel roept steeds maar: niet geloven, niet geloven, ze zijn er niet meer. Tot ze zo hard gaan prikken dat je zelf terug gaat roepen: stop maar, stop maar, ik geloof wel dat ze er zijn.
In de zomer heb je die verwarrende ervaring niet. In de zomer stap ik zonder nadenken of voorzichtigheid het huis uit. Wat veel prettiger is dan meteen al op een stuk ijs te stappen, vlak naast de voordeur en bijna onderuit te gaan. Daar hou ik niet van. Ik ben in voor verrassingen, maar niet zulke. En dan die spekgladde fietspaden. Bij iedere bocht ben ik bang te vallen. Zolang de sneeuw onder het fietswiel knerpt en knispert is er niets aan de hand. Knisperen duidt op een stroef oppervlak.
Maar als het stil wordt en de glans op het pad duidt op een laagje ijs, begint dat filmpje te draaien. Kijk maar, daar lig ik, onder de fiets, een been geknakt, een arm in een rare hoek. Flessen olijfolie kapot, flessen rode wijn kapot, sinaasappels rollen in het rond en dan maanden lang revalideren achter glas. Tegen de tijd dat het buiten weer veilig is en de warmte aangenaam op je huid voelt, zit ik natuurlijk nog steeds in het gips, of strompel naar de fysiotherapeut. Dat tafereeltje zweeft steeds vlak voor het fietswiel, wanneer ik door het winterse landschap rijd. Het lukt niet om het opzij te schuiven. Het lukt niet om te wennen aan dat geprik en getintel in de tenen. Zo vermoeiend ook, steeds weer wennen aan bijna dertig graden temperatuurverschil, iedere keer bij het naar buiten gaan en het weer thuiskomen. Buiten min tien, binnen tegen de twintig. Dat is teveel. Dat kan niet gezond zijn.
Is het raar dat ik wel twaalf uur per nacht kan slapen? Als de mens gebouwd was voor de winter, hadden we wel veel meer haar gehad en anti-slip onder onze voeten. We zijn er gewoon niet geschikt voor, te leven met al dat bevroren water om ons heen. Boodschappen doen wordt een enorme onderneming. Want hoe gaan we: per fiets of met de auto? Het is allebei omslachtig. Met twee wielen dreigt het gevaar van wegglijden en dus dient er een heel traject gelopen te worden. De auto moet eerst ijsvrij gekrabd en dan maar hopen dat de portieren niet dichtgevroren zijn. Ik stel de beslissing maar weer eens uit en kijk ondertussen naar het tv-journaal. Vrolijk schaatsende mensen, rode wangen, pret, veel winterpret. Heel Nederland geniet van sneeuw en ijs, lijkt het wel. Ik voel me opgesloten in huis. Wat valt er nog te beleven?
De tv-beelden vervelen me. Uit met dat ding. Ik staar uit het raam, naar de tafel waar ik wat brood voor de vogels heb gestrooid. Wat een gevecht, het lijkt wel of de merels Gaza-strookje spelen. Ze vechten elkaar de tent uit. Waar ze normaal gesproken keurig om de beurt wat wegpikken, gunnen ze elkaar nu het licht in de ogen niet. Net als de tafel merelvrij is, komt er nota bene een bonte specht vlak voor het raam wat brood wegpikken. Dat had ik nog niet eerder meegemaakt, de nood moet wel hoog zijn. Een klein voordeel van de winterkou. Voor het overige wacht ik vooral op warmere tijden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.