December bracht ruim een half miljoen nieuwe werklozen, en het aantal in Irak of Afghanistan omgekomen militairen nadert de vijfduizend. Veel Amerikanen zullen George Bush dinsdag met grote opluchting zien vertrekken. Maar niet allemaal: één op elke vier zal hem missen. Waarvoor kunnen zij hem dankbaar zijn?
1. Geen kind mag achterblijven
De meevoelende conservatief. De man die zou verenigen, niet verdelen. George W. Bush voerde in 2000 campagne tegen de politiek zelf. Hij zou het volk beter begrijpen dan zijn opponent, die stijve cijferfanaat Al Gore. Hij zou het Ovale Kantoor niet gebruiken voor gevoos met een stagiaire zoals diens baas Bill Clinton. En hij zou zorgen dat in die andere grote politieke macht in het land, het Congres, vruchtbaar werd samengewerkt tussen zijn Republikeinen en de Democraten.
Die campagne leverde hem niet de meeste stemmen op – die kreeg Gore. Maar nadat het Hooggerechtshof in een tot op de dag van vandaag omstreden uitspraak besliste over het tellen van stemmen in Florida, werd George W. Bush president.
Een van zijn eerste beleidsdaden paste bij zijn campagne en bij zijn in ieders ogen beperkte mandaat: hij diende een breed gesteunde wet in, die zou moeten zorgen voor een grote verbetering van de kwaliteit van het basis- en middelbaar onderwijs. Geen Kind Blijft Achter, zoals de wet heette, werd met brede steun aanvaard.
Het betekende een ware revolutie in het Amerikaanse onderwijs: kinderen van vijf tot achttien jaar gaan doorgaans naar een openbare school, waarover de lokale overheid het beheer voert. De kwaliteit van die scholen loopt erg uiteen, en natuurlijk staan de slechtste scholen vaak in de armste buurten. De wet No Child Left Behind, kortweg NCLB of ’nicklebee’ genoemd, bracht met een klap de federale overheid op het toneel.
Elke school moet sindsdien zijn leerlingen tussen de acht en veertien jaar testen op lezen en wiskunde. De federale overheid levert de testen, maar elke deelstaat mag zelf zeggen wat het vereiste minimumniveau is. Een school die dat niveau niet haalt, voor alle leerlingen of voor leerlingen uit minderheidsgroepen, krijgt een waarschuwing en moet daarna ’redelijke jaarlijkse vooruitgang’ boeken.
Lukt dat niet, dan volgen sancties. De school moet bijvoorbeeld extra huiswerkklassen aanbieden in vestigingen waar het slecht gaat, of die vestigingen helemaal sluiten. In het ergste geval neemt de deelstaat het gezag over.
Gedurende de twee regeringstermijnen van Bush zijn miljarden dollars geïnvesteerd in verbeteringen van het onderwijs op scholen die het nodig hebben. En de Amerikaanse scholieren zijn aantoonbaar beter gaan lezen en rekenen. De achterstand op andere landen is kleiner geworden.
Critici van de wet zeggen, dat de verbeteringen niet aan het systeem van testen en straffen te danken zijn. Ze zeggen dat het stijgend aantal leerlingen dat de testen haalt, eerder te danken is aan de vrijheid van deelstaten om de normen te laten zakken.
In de Democratische partij hebben leraren veel invloed, en die haten de wet, omdat die hen zou dwingen om leerlingen vooral op te leiden voor het goed maken van de tests. Dat de schijnwerper daarmee ook op hun kwaliteiten staat, zal de liefde niet hebben vergroot.
Bij de Republikeinen is het aanvankelijke enthousiasme voor de wet verdrongen door weerzin tegen de grote invloed die deze de landelijke overheid geeft.
In 2007 stuurde Bush een uitgebreide versie van de wet naar het Congres. Die is tot op heden echter niet aangenomen.
2. Gezondheidszorg voor de armen
De gezondheidszorg in de VS is een algemeen erkend probleem. Geld gaat er genoeg naartoe, maar niet iedereen heeft met hetzelfde gemak toegang tot de medische zorg die daarmee wordt bekostigd.
Een bezoek aan een ziekenhuis is enorm duur, en ziektekostenverzekeringen zijn dat dus ook. Wie niet het geluk heeft dat de werkgever die betaalt, doet het vaak maar zonder. Een ongeluk of chronische ziekte kan iemand dan aan de bedelstaf brengen, of beroven van zijn pensioenspaarpot. Pas in die situatie kunnen sommigen in aanmerking komen voor een overheidsverzekering, Medicaid. Ook voor ouderen is er een ziekenfonds, Medicare. Wie daar niet onder valt, moet maar wachten tot een eventuele ziekte zo erg is dat hij ervoor naar de eerste hulp van het ziekenhuis moet: die mogen niemand weigeren.
De vorige president, Bill Clinton, liet zijn vrouw Hillary een nieuw zorgstelsel ontwerpen, maar dat sneuvelde in het Congres.
Onder president Bush is zo’n ambitieuze hervorming niet eens geprobeerd, en toch zijn er in de gezondheidszorg twee belangrijke verbeteringen tot stand gebracht: een uitbreiding van het aantal ’buurtklinieken’ waar je goedkoop terecht kunt voor basisgezondheidszorg, en het opnemen van medicijnen in het verzekeringsprogramma van Medicare.
Die klinieken waren een idee dat Bush uit Texas meenam. Liefdadigheidsorganisaties zetten ze op als een goedkoop alternatief voor het ziekenhuis. De staat had er baat bij, omdat patiënten die regelmatig naar de dokter moeten, bijvoorbeeld voor een chronische aandoening, dat ook dóen en niet later met acute problemen komen opdagen op de eerste hulp van het ziekenhuis, waar hun behandeling veel meer kost.
De afgelopen acht jaar is de financiering voor de buurtklinieken verdubbeld, er kwamen er 1297 bij.
Een andere belangrijke stap waar Bush voor gevochten heeft was het opnemen van medicijnen in Medicare, het ziekenfonds voor ouderen en gehandicapten. De groeiende rol van vaak dure medicijnen voor juist die groep had geleid tot bussen vol ouderen die naar Canada gingen om op die post te besparen .
MAAR
Door medicijnen in Medicare op te nemen, nam Bush een groot risico met de toch al zo benarde landsbegroting. Een ouder wordende bevolking zal de komende jaren alleen maar meer medicijnen gaan gebruiken. Een maatregel om net als in andere landen goedkope versies van medicijnen verplicht te stellen, is onlangs door de rechter afgewezen: de Medicare-wet zou het niet toelaten.
En terwijl ouderen voorlopig geholpen zijn, neemt het aantal onverzekerde Amerikanen door de economische crisis hand over hand toe. Het hervormen van de gezondheidszorg, een campagnebelofte van Obama, wordt door die crisis tegelijk noodzakelijker en moeilijker.
3. Anti-aidsstrijd
Als de populariteit van Amerika in het buitenland wordt gepeild, is dat voor de president niet opbeurend. En met de geliefdheid van de president is het nog slechter gesteld. Maar toch is er een land waar hij zich zou kunnen vestigen als hij niet kan aanzien hoe zijn opvolger het doet: in Tanzania had eind vorig jaar 60 procent van de inwoners vertrouwen in George Bush. De reden: zijn strijd tegen aids.
In 2003 riep Bush in zijn ’troonrede’, de State of the Union, op om aids in Afrika ten zuiden van de Sahara en het Caribisch gebied een halt toe te roepen. Hij kreeg van het congres 15 miljard dollar voor het kopen van hiv-remmende medicijnen, andere medische goederen en voor preventieprogramma’s. Eind vorig jaar werd de wet verlengd: de komende vijf jaar wordt nog eens 48 miljard dollar ter beschikking gesteld.
In de landen waar het programma zich op richt, zijn er naar schatting 1,7 miljoen mensen die dankzij Amerikaans geld de medicijnen krijgen die hen in leven houden.
MAAR
Aids is een seksueel overdraagbare ziekte, en in de VS maakt het daardoor deel uit van de ’cultuuroorlogen’ tussen de behoudende en meer libertaire helften van Amerika.
Voor het aidsprogramma van de president had dit tot gevolg dat het Congres zeggenschap wilde over de boodschap die de preventieprogramma’s zouden brengen. Het propageren van condooms door landen en organisaties die het geld krijgen, wordt ontmoedigd. Vanaf dit jaar moet geld voor preventie voor de helft aan programma’s worden uitgegeven die onthouding voor en trouw na het huwelijk bepleiten. In theorie werkt dat natuurlijk, maar volgens veel onderzoekers in de praktijk niet.
4. Irak
De traditionele loftuitingen in de Verenigde Staten aan de prestaties van het leger in Irak, waar in 2003 de dictator Saddam Hoessein omver was geworpen, gingen in 2006 steeds meer gepaard met bezorgdheid.
Zelfmoordaanslagen en hinderlagen maakten bijna elke dag slachtoffers en de schattingen van het aantal doden onder de burgerbevolking liepen uiteen van ongeveer honderdduizend tot een half miljoen. De inspanningen om het geweld tot staan te brengen begonnen het leger zwaar te vallen. Het gebrek aan rekruten werd deels opgevangen door militairen maanden langer in Irak te houden voor ze verlof kregen, en door afzwaaiende militairen gedwongen langer te laten dienen.
Aan het eind van het jaar besloot tv-netwerk NBC de situatie als ’burgeroorlog’ te betitelen en spraken hoge militairen openlijk over het ’breekpunt’ dat het leger naderde.
In die situatie lag het meer voor de hand om te besluiten tot een zo eervol mogelijke aftocht uit het verscheurde land dan tot een surge, een tijdelijke extra inspanning. En toch was dat het waartoe Bush begin 2007 besloot. Mede op advies van zijn nieuwe bevelhebber in Irak, David Petraeus, en tegen de zin van veel leden van het Congres en zelfs veel van zijn hoogste militaire bevelhebbers. Er gingen 20.000 troepen extra naar Irak, vooral naar Bagdad.
In 2007 bleef het aantal gesneuvelde Amerikaanse militairen nog een tijdlang oplopen, maar in de tweede helft van dat jaar kwam het keerpunt. Tijdens de verkiezingscampagne in 2008 moest zelfs Barack Obama toegeven dat de surge, waar ook hij tegen was geweest, ’beter had gewerkt dan wie ook zich had kunnen voorstellen’. Zijn tegenstander John McCain had de surge juist gesteund en kon daarmee kritiek op zijn steun voor de inval in Irak pareren.
De Verenigde Staten hebben inmiddels een overeenkomst met Irak over het terugtrekken van de troepen. Die is niet zo smadelijk, en laat het land mogelijk vreedzamer achter, dan twee jaar geleden nog werd gevreesd.
MAAR
De relatieve rust in Irak is niet alleen te danken aan de komst van extra Amerikaanse militairen. Ook het gewapende verzet van Iraakse groepen tegen de fanatieke islamisten van Al- Kaida heeft een rol gespeeld. En het lijkt al te veel eer om Bush te prijzen voor het feit dat hij de VS uit de rampzalige positie heeft gered waar hij het land zelf in had gebracht.
EN TOCH
Hoe je ook over de inval in Irak denkt, Bush deed wat een president in oorlogstijd moet doen: de leiding en de verantwoordelijkheid nemen. De columnist van de New York Times David Brooks voerde in juni vorig jaar zowel de mislukkingen als de successen in Irak terug op dezelfde trek in de man: extreme koppigheid. „De karaktertrekken die in sommige omstandigheden tot rampen leiden, zijn dezelfde die in andere goed uitpakken. De mensen die soms zo verschrikkelijk slim lijken, lijken op andere momenten weer ongelooflijk dom. De parmantige supporters van de oorlog hebben die tot deemoedigheid stemmende les geleerd in de donkere dagen van 2006. En nu krijgen de parmantige tegenstanders van de surge, dronken van hun eigen gelijk, de kans op een lesje in nederigheid.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.