Grote grazers, zoals Konikpaarden en Heckrunderen, kunnen natuurgebieden ’ecologisch verantwoord’ openhouden. Deense biologen gingen verder. Zij lieten drie circusolifanten grazen in een natuurgebied.
’Op 1 april had ik je niet eens geantwoord.” De woordvoerder van Safaripark Beekse Bergen en directeur/oprichter Wouter Helmer van Stichting Ark reageren vrijwel identiek. Niet dat ze opkijken van grote grazers als ’natuurbeheerders’, Stichting Ark is er zelfs in gespecialiseerd. Maar olifanten?
Er is wat afgegiecheld over de proef, die onlangs plaatsvond in het Deense heidegebied Eskebjerg Vesterlyngen. Ook in eigen land viel initiatiefnemer Morten Lindhard aanvankelijk hoongelach ten deel. Wie laat er nou olifanten los in een krap bemeten, aangeharkt Scandinavisch landje. Wat als ze uitbreken? Treinvertraging vanwege flaporen op de rails?
De werkelijkheid viel reuze mee, verzekeren betrokken ecologen. Eigenlijk was het een vredig, welhaast meditatief samenzijn. Drie mooie middagen lang mochten drie circusjumbo’s, twee Indische en een Afrikaanse bosolifant, rondsukkelen over de heide, het grasland en in het bos. Twijgje knabbelen, tegen een boom aanschurken of schuilen onder de takken.
Veel kans om te verwilderen was er niet. De oppassers bleven angstvallig in de buurt. ’s Morgens kregen de dames gewoon hun dagelijkse berg hooi, en uit het beekje drinken was taboe. Ondertussen liep er ook nog een peloton biologen en journalistieke pottenkijkers omheen. Wetenschappelijk gesproken was het hooguit een opwarmertje, beseffen Lindhard en zijn collega’s, maar voor het behoudende Deense natuurbeheer was dit niettemin een revolutie. En het was een wereldprimeur.
Welke ’grote grazers’ horen werkelijk thuis in het 21ste-eeuwse ecosysteem, daar draait het om. In Nederland hebben we al 25 jaar praktijkervaring. In de Oostvaardersplassen en elders lopen kuddes winterharde paarden, runderen en edelherten de opslag kort te houden. Geïmporteerde bevers en hun nazaten mogen naar hartelust moerasbomen omknagen. Het hogere doel: herstel van ’natuurlijke’ ecologische processen, zoals wij hier gehad zouden hebben, als wij Europa niet tot cultuurlandschap hadden omgeploegd.
Midden jaren tachtig maakte Nederland de stap van natuurbehoud naar natuurontwikkeling. De Denen, daarentegen, koesteren hun boerenland innig. Natuurbescherming betekent daar vooral: behoud van bestaande soortenrijkdom en landschappen, desnoods met zwaar materieel. Natuurbegrazing laat het Deense Staatsbosbeheer over aan gewone boeren .
Maar er broeit iets. Tal van Deense biologen hebben wilderniservaring opgedaan, in poolstreken of Noord-Amerika. Met ’natuurlijke’ beheersvormen voorspellen zij meer authentieke ecosystemen, die zich ook sneller aanpassen, bijvoorbeeld aan de verandering van het klimaat.
„Het olifantenplan is langzaam gegroeid”, vertelt ecoloog Morten Lindhard, natuurgids en beheerder van een ’natuurschool’ niet ver van Vesterlyngen, op het eiland Sjülland. „Het begon met de megafauna extinction theory van de Amerikaanse paleontoloog Paul S. Martin. Hij komt met aanwijzingen dat niet de klimaatopwarming na de laatste ijstijd de mammoet en andere grote zoogdieren uitroeide, maar overbejaging door de mens. Anders gezegd: wij hadden hier nu nog olifantachtigen kunnen hebben, misschien.
„Mij schoot het oude poldergebied Vest (west) Amager, bij Kopenhagen te binnen. Een soort savanne, 3000 hectare groot, maar met hinderlijke bosopslag, die machinaal verwijderd wordt. Waarom niet olifanten het rooiwerk –goedkoper– laten opknappen? Dieren uit Kopenhagen Zoo, bijvoorbeeld, waar de olifantenhuisvesting destijds allerbelabberdst was. Je zou zo’n natuurgebied kunnen omheinen en van geschikte uitkijktorens voorzien. Daar kun je de beesten dan jaarlijks een tijdje vakantie gunnen. Het terreinbeheer profiteert ervan en voor toeristen is het sensationeel.”
Vier jaar praten als brugman kostte het. Collega-biologen en de toeristenbranche reageerden positief, maar terreinbeheerders sputterden tegen, ook Lindhards eigen Skov og Naturstyrelsen. En Kopenhagen Zoo gaf niet thuis.
Uiteindelijk vond Lindhard de Duitse dompteursfamilie Gürtner van Circus Benneweis aarzelend bereid om mee te werken, evenals de boeren die gezamenlijk Eskebjerg Vesterlyngen bezitten. Mits de media vooraf hun mond hielden en er geen publiek aanwezig was.
Vesterlyngen is Denemarkens grootste kust-heidevlakte. De 300 hectare grote lap grond dient als gemeenschapsweide voor de omliggende boerderijen. Desondanks groeit het
dicht met berken en jeneverbesstruiken, funest voor allerlei zeldzame plantensoorten. Radicale begrazing, vooruit: het valt te proberen, redeneerden de eigenaars.
De proef zelf verliep probleemloos, vertelt Lindhard, afgezien van de komische nieuwsgierigheid van de kolossen zelf. „Terwijl ik een televisie-interview stond weg te geven, stak er eentje haar neus tussen mij en de microfoon. Vriendelijk werden we opzijgedrukt.”
Openbaringen heeft de test niet opgeleverd, alleen een eerste indruk over eet-, rust- en soigneer-gedrag. Lindhard: „Meer hadden we ook niet verwacht. Toch zag je interessante dingen. Zo bleven de doornstruiken helaas ongemoeid en schuilde de Afrikaanse olifant opvallend vaak onder de berken.”
Lindhards collega Dr. Rasmus Ejrnüs van de Universiteit van ürhus (Jutland) vond het veelbelovend dat de olifanten al direct grasplaggen wegtrokken, om het zand eronder op te slurven voor hun regelmatige zandspuitbaden. „Verstoring is soms uitermate waardevol”, aldus Ejrnüs. „Diverse rode-lijstsoorten op Vesterlyngen, waaronder orchideeën, ontkiemen alleen op kale plekken. Olifanten kunnen daarbij helpen, zo te zien.”
„Nee, mij hoor je niet pleiten voor olifanten in Europese natuurgebieden”, roept Frans Vera van de Wageningen Universiteit. Vera geldt als de één van de geestelijke vaders van de Nederlandse natuurontwikkelingspraktijk en de Ecologische Hoofdstructuur.
Theoretisch valt wel wat af te dingen op het Deense experiment, meent Vera. „Begrazing door olifanten is wel vaker geopperd, maar veel vooronderstellingen zijn onjuist. Het idee is dat Noord-Europa na de laatste ijstijd, pakweg 12.000 jaar geleden, helemaal dichtbebost raakte, mede doordat er geen megagrazers over waren, zoals olifantachtigen (mammoeten) en neushoorns, die de bomen wegvraten. Tijdens de ijstijd was hier een steppetoendra, waar wolharige mammoeten en neushoorns rondliepen. Voordien had je ook de dwergolifant. Maar ook de postglaciale grazers – paarden, runderachtigen en herten – hielden het landschap behoorlijk open. Ze douwen weliswaar geen bomen om, maar ze blokkeren wel de verjonging doordat ze jonge boompjes opvreten, of ze schrapen de schors eraf: ook dodelijk.”
Een missing link zijn olifanten dus niet in onze hedendaagse natuur, denkt Vera. Althans, niet in hun functie van bomensloper. Met ons huidige grazersvoetvolk kunnen we vermoedelijk volstaan. „Toch kan een gedegen verwilderingsproef interessant zijn. De Indische olifant kwam in China nog lang in gematigde streken voor. De Europese variant terugfokken, kon best eens mogelijk zijn, en wie weet, vulde die stiekem een ons nog onbekende, verloren gegane ecologische ’niche’. Zoiets kun je uitproberen, maar dan wel ergens waar meer ruimte is. Overigens, bij de levendige ’rewilding’-discussie in Noord-Amerika ligt het weer anders: daar hebben na de ijstijd nog mastodonten en mamoeten geleefd.” Maar daar ontbreekt het de voorvechters weer aan een ander noodzakelijk ingrediënt: een geschikte verre achterneef, zoals hier de Indische olifant.
„Dit type proef is niet de mijne”, vreest Wouter Helmer van de Stichting Ark, die in Europa honderden grote grazers heeft rondlopen. „Ik mis een goed verhaal, waaruit blijkt dat de olifant echt ontbreekt in de ’natuurlijke’ Deense constellatie. Landschapstype, klimaat, een onvervulde niche – dat moet onderbouwd zijn, voordat je aan zo’n veldproef begint.
Het gevaar bij herintroducties, zegt Helmer, is altijd dat je als mens dieren inschakelt voor een rol die jíj bedacht hebt. „Verantwoord is herintroductie pas, als je iets herstelt van het nog altijd op die plek thuishorende ecosysteem.
„Niet voor niets hebben we in 1995 een internationale herintroductie-richtlijn afgesproken binnen IUCN, de koepelorganisatie van natuurclubs. Daarin staan criteria als: is de oorzaak van het uitsterven weggenomen, is het leefgebied voldoende hersteld, en kan het dier niet op eigen kracht terugkeren? Bovendien moet het gaan om een dier dat zoveel mogelijk verwant is aan de verdwenen soort. Lukraak twee totaal verschillende olifantensoorten nemen, past daar niet in.”
Praktische kritiek komt van Jacques Kaandorp, dierenarts bij Safaripark Beekse Bergen en Dierenrijk Nuenen, waar Afrikaanse en Indische olifanten zijn. „Groeien in Deense natuurgebieden geen giftige planten? Vergeet niet: deze beesten zijn in gevangenschap opgegroeid. Ze hebben nooit van oudere dieren geleerd wat eetbaar is en wat niet.”
„Voor Lindhards idee van een safaripark heb je grote arealen nodig, omgeven met zware, dure olifantenhekken. En hoe haal je een circusolifant weer naar je toe, nadat hij maandenlang vrij rondgebanjerd heeft?”
Geen vervolg, dus, op het Deense evenement? Morten Lindhard zucht. „Ik zou het graag grootschaliger proberen, begeleid met doortimmerd onderzoek. Maar niemand staat te springen, of het moest de toeristensector zijn. Ik zit met allemaal losse eindjes. Geen subsidiegever, geen olifanten, geen terrein, en voor een vergunning bestaat niet eens een wettelijke basis; dit keer is het gewoon met een briefje gedoogd.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.