opinie En opeens was daar weer het referendum. Jaren niets van gehoord, maar binnenkort spreekt de Tweede Kamer over twee initiatiefwetsvoorstellen van PvdA, GroenLinks en D66 om het correctief referendum in te voeren. De indieners denken dat het middel de kloof tussen burger en politiek kan verkleinen.
Ogenschijnlijk is het referendum populair. Vraag het in opiniepeilingen, en steevast antwoordt de meerderheid vóór invoering van het referendum te zijn. Maar het gekke is dat áls er dan een referendum wordt gehouden, het vaak grote moeite kost de opkomstdrempel te halen. Dezelfde paradox zie je bij andere vormen van directe democratie. Iedereen roept altijd dat burgers meer betrokken moeten worden bij de beleidsvorming. Maar áls er dan inspraak- of meedenkavonden worden georganiseerd, blijven de vergaderzaaltjes pijnlijk leeg. De beroepsinsprekers geven acte de présence, maar de ’gewone burgers’ blijven weg. Goedwillende beleidsmakers worden er moedeloos van.
Hoe kan dat? Waarom zijn mensen vóór het referendum en andere vormen van directe democratie, maar laten ze het afweten wanneer ze die ook krijgen? De Amerikaanse politicologen Hibbing en Theiss-Morse deden onderzoek naar deze vraag. Ze kwamen tot een verrassend antwoord: mensen zeggen wel dat ze meer directe democratie willen, maar dat menen ze niet echt.
De meeste burgers hebben helemaal geen zin om politiek actief te worden. Hun antwoorden zijn veeleer ingegeven door diepe frustratie over de zittende politici. Die zijn volgens hen alleen maar bezig met hun eigen belangen en die van hun politieke vrienden, en geven niets om het algemeen belang. Dáár zit de werkelijke pijn. „Mensen zijn niet tegen elites; ze zijn tegen zelfzuchtige elites”, concluderen beide politicologen. En meer directe democratie is een instrument om die zelfzuchtige elites tegen te houden.
Als dit klopt, is het correctief referendum een goed idee. Maar zal het in de praktijk ook zo uitwerken? Stel dat men enkele decennia geleden in opiniepeilingen had gevraagd of Nederlanders voorstander zijn van meer inspraak bij besluiten over grote infrastructurele projecten. Dat klinkt aantrekkelijk, dus ongetwijfeld waren velen vóór geweest. Inmiddels is het enthousiasme danig bekoeld.
Bepaalde actiegroepen maken er geen geheim van alle wettelijke mogelijkheden aan te grijpen om hun onwelgevallige beslissingen zo lang mogelijk tegen te houden. Mensen die dagelijks bij Leiden op de A4 in de file staan, hebben waarschijnlijk schoon genoeg van de eindeloze inspraak- en bezwaarmogelijkheden die in het verleden zijn gecreëerd.
Meer inspraak en directe democratie zijn prachtig voor goedgebekte burgers met de middelen en capaciteiten om een referendum af te dwingen, medestanders te mobiliseren en de media effectief te bespelen. Maar helaas zijn die middelen en capaciteiten ongelijk verdeeld. Daardoor kunnen direct democratische vernieuwingen –hoe nobel ook de achterliggende gedachte– in de praktijk leiden tot exact het tegendeel van hetgeen werd beoogd. Het worden instrumenten voor een gepassioneerde minderheid om alsnog hun zin te krijgen.
Niet alleen in de VS, maar ook in Nederland moet de roep om meer directe democratie in veel gevallen niet begrepen worden als een wens daadwerkelijk zélf politiek actief te worden, maar vooral als een verlangen naar een ander soort politiek – een politiek waarin het algemeen belang leidend is in plaats van allerlei deelbelangen.
Wat hebben we dan aan het referendum? Als het verwordt tot instrument van goed georganiseerde deelbelangen, zal het de kloof alleen maar groter maken. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.
Tiemeijer is onderzoeker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Willem Breedveld is met vakantie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.