*

 

Meer koopzondagen, meer wegwerpbanen opinie

Michiel Wallaard − 11/02/09, 00:00

Grootste bezwaar tegen de koopzondag is dat winkels teren op goedkoop personeel.

In de discussie over de vermindering van het aantal koopzondagen gebruiken werkgeverspartijen en hun liberale bondgenoten in het parlement oneerlijke argumenten. Ze beweren dat aanpassing van de winkelsluitingswet leidt tot het verlies van 20.000 banen. Dat valt niet te bewijzen. Wat wel te bewijzen is, is dat de kwaliteit van de banen in de detailhandel sinds de komst van de koopzondagen in 1996 ernstig is verslechterd.

De liberale lobby doet het voorkomen alsof het bij de beperking van het aantal koopzondagen in feite gaat om betutteling, bevoogding van de consument en het afpakken van werkgelegenheid. Partijen die in de Kamer pleiten voor het terugbrengen van het aantal koopzondagen, krijgen het verwijt dat zij de kredietcrisis alleen maar aanzwengelen –alsof het omgekeerde niet eerder waar is. De ruimere beschikbaarheid van consumptiegoederen doordat winkels langer open waren, heeft het consumeren op krediet eerder aangewakkerd dan geremd en de zeepbel aan kredieten dus vergroot.

Naast het bijdragen aan Nederlands grootste consumptieve kredietberg sinds mensenheugenis, heeft de koopzondag ook de vrees bevestigd die toenmalig CDA-Kamerlid Smits in 1995 al uitte. Hij was bezorgd dat aan de onderkant van de arbeidsmarkt de toch al moeilijke positie van ongeschoolde jongeren en parttime werkende vrouwen nog verder onder druk komt te staan. Voor werk na 16.00 uur ’s middags werven werkgevers immers vooral onder scholieren en studenten, de categorie ’hulpkrachten’ die geen toeslagen ontvangen voor werk op bijzondere uren.

De cijfers geven aan dat zijn bezorgdheid terecht was. Volgens het CBS waren er in 1995 nog 204.000 fulltimebanen te vinden in de detailhandel. Daarvan waren er in 2005 nog slechts 175.000 over, een werkgelegenheidsverlies van meer dan veertien procent. Het aantal deeltijdbanen in de detailhandel bleek wel gegroeid, naar 47.000 fte’s. Een groot deel van die banen is naar deeltijders jonger dan 20 jaar gegaan. En wie werken er op zondag vooral in een winkel? Juist.

Tot slot blijkt dat de werkgelegenheid in de detailhandel voor jongeren ouder dan twintig relatief veel meer is gekrompen tussen 1995 en 2005 dan in de andere sectoren. Dat heeft aan de ene kant te maken met de vergrijzing. Maar veel belangrijker was de wens van de winkeliers om vooral jeugdloonsalarissen uit te betalen en dus te schrappen in banen voor relatief dure twintigers. En zo gek is dat niet. Ruimere winkeltijden konden blijkbaar alleen bekostigd worden met bezuinigingen op personeelskosten.

De werknemersbelangen in de detailhandel zijn door de invoering van de koopzondagen kortom eerder aangetast, dan verbeterd. Door angst voor ’dé consument’, minachting voor een genuanceerde belangenafweging en blindheid voor de schaduwzijde van zondagopenstelling, worden pogingen om de winkeltijdenwet te verbeteren, weggezet als uitingen van religieuze bekrompenheid.

Dit is zo bezijden de waarheid. Het wordt juist hoog tijd dat Haagse politici de winkeltijdenwet laten uitvoeren zoals ze bedoeld is, namelijk als stimulator van een zorgvuldige afweging van belangen op lokaal niveau. En het wordt hoog tijd dat het werknemersbelang in de detailhandel daarbij een stevige plek toegewezen krijgt.

mailIcon print |