Fascinerend zoals Lodewijk Dros (vandaag in Letter & Geest) laat zien hoe ’calvinist’ van geuzennaam uitgroeide tot scheldwoord voor een ’bedompt en star’ iemand, die tot geen feestvreugde in staat is. De chef van de redactie religie & filosofie schetst deze Werdegang trefzeker vanaf de eerste kerkhervormers, de lutheranen, die de latere volgelingen van Calvijn geringschattend wegzetten als ’calvinisten’, de triomf van het calvinisme onder Kuyper, tot de hedendaagse verwording van de calvinist als doorsnee Nederlander: rechtlijnig, zuinig, hardwerkend en wars van iedere vorm van frivoliteit.
Zelfs Mark Rutte noemt zich vandaag een calvinist, constateert Dros. Maar daarmee ontlokte de VVD-leider bij een journalist wel prompt de zure reactie: „Calvinisten kunnen geen feestvieren”. Waarop Rutte terugkaatste: „Ik kan enórm vieren. Ik ben een calvinist die kan vieren”. Dat mag Rutte wel vinden, volgens Dros bewijst dit vooral dat het calvinisme inmiddels de standaard is geworden voor het Nederlandschap, waaraan iedereen vervolgens zijn specifieke kenmerken toevoegt. Rutte dus, als calvinist én feestvierder. En daarop voortbordurend: in mijn kennissenkring kom ik tegenwoordig mensen tegen die zichzelf calvinist en katholiek noemen, of ook wel calvinist en seculier.
Ik denk dat Dros hier een punt heeft. De Nederlander bestaat weliswaar niet, zoals prinses Máxima al constateerde, diep in zijn binnenste onderkent hij toch de trekjes van de calvinist, waar hij tegelijkertijd ook weer afstand van wil nemen. Wel calvinist, maar ook feestvierder. Dros betreurt deze ontwikkeling, omdat er aldus van de ooit zo stoere calvinist weinig meer over is dan ’een saai en bedompt’ iemand, die ook nog model staat voor de doorsnee Nederlander.
Dat is al te somber, lijkt me. De calvinist kon en kan nog altijd feestvieren. Het beste bewijs daarvoor is de euforie die zich van ons, calvinisten, meester heeft gemaakt, nu koning winter het land weer eens in zijn greep heeft gekregen. De cultuurfilosoof Herman Pleij kwam deze week bij ’Pauw en Witteman’ woorden tekort om te schetsen hoe juist de ijspret Nederlanders door de eeuwen heen euforisch maakte. Het zal er wel mee te maken hebben dat op het ijs iedereen gelijk is (wat typisch calvinistisch is) en we ons op dat moment als één volk verbonden weten, veronderstelde hij. Ook oud-schaatser Marnix ten Kortenaar, inmiddels wetenschapper en filosoof, noemde deze week het schaatsvirus ook al typisch calvinistisch. Natuurijs associëren we met zuiverheid en puurheid, sprak hij. Het ijs vraagt ook om prestaties. Bovendien is het een sober plezier en ook dat is calvinistisch.
Kortom, anders dan Dros ben ik geneigd in de Calvijnjaar te zeggen: leve het calvinisme. Alleen vraag ik me toch af, of je schaatsplezier ook al calvinistisch mag noemen?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.