Ze bezocht als directeur van Stichting Vluchteling alle grote rampen. Kenia, Georgië, Burma, Congo. Tineke Ceelen: „Ik denk elke keer: wat ik hier meemaak is verschrikkelijk, het kan niet erger.”
Ze ’doet’ de rampen, zegt ze. De acute crises. Dat gaat als volgt: „Thuis en het op werk staat de televisie ingesteld op CNN en de laptop op BBC World. Ik volg de ontwikkelingen in een conflictgebied op de voet. Opeens valt het besluit: ik moet er naartoe. Er wordt een vliegticket geregeld voor morgenochtend, mijn dochtertje gaat naar mijn zus. Ik moet voldoende informatie hebben over de situatie ter plekke, medicijnen niet vergeten. Grote hectiek. En dan ga ik, richting de ramp.”
Sinds augustus 2003 is Tineke Ceelen (45) de directeur van Stichting Vluchteling. Haar organisatie zet zich in voor ontheemden wereldwijd. Ceelen bezoekt rampgebieden persoonlijk, voordat de organisatie er geld voor uittrekt. Vorig jaar had de stichting zo’n 13 miljoen ter beschikking. „Ik wil het gezien en geroken hebben. Dan weet je waar de prioriteiten liggen”, zegt ze.
2008 was een krankzinnig jaar. Het begon al in januari met een reis naar Kenia, waar na de omstreden presidentsverkiezingen een hevige stammenstrijd losbarstte. In mei strandde Ceelen in Thailand, omdat haar de toegang tot Burma werd ontzegd. Daar waren zeker een miljoen mensen op de vlucht geslagen na de cycloon Nargis. Twee maanden later was ze in Gori, Georgië. Het conflict met Rusland zorgde voor tienduizenden vluchtelingen. Begin november was Congo aan de beurt, waar een wreed conflict tussen de regering en krijgsheren is opgelaaid.
Deze dinsdagmiddag is ze thuis. Een zeldzaamheid. Het is er ongewoon rustig. De nieuwszenders gaan tijdens het interview even uit. In het midden van de huiskamer ligt een opvallende stapel boeken. Farah Karimi, ’Slagveld Afghanistan’, Linda Polman, ’De Crisiskaravaan’, Tom Kleijn, ’Zwemmen in Bagdad’. Ceelen noemt het haar ’kabinet der ellende’. Het is verplichte kost, waar ze nauwelijks aan toe komt.
Ceelen heeft een reis naar een Keniaans vluchtelingenkamp in Dadaab aan een collega overgelaten. Het wordt te gortig, vertelt ze. „Soms moet je even pas op de plaats maken. Niet alles is mogelijk.”
Wordt het dan emotioneel te zwaar? Of dreigt het risico dat de ellende u afstompt?
„Ik denk elke keer: wat ik hier meemaak is verschrikkelijk, het kan niet erger. En alsof de duvel ermee speelt, het kan dus toch erger. Ik raak nooit afgestompt en te zwaar vind ik het ook niet. Ik word wel heel vaak kwaad. Het zijn mensen die het elkaar aandoen. In Congo zie je die snotneuzen rondzeulen met wapentuig. Hou op! Is er dan niemand die jullie flink aan de oren kan trekken? Nou is het afgelopen! Het zijn jullie vrouwen die verkracht worden, jullie opa’s en oma’s die dood gaan. Ik vind die woede eerlijk gezegd een prettiger gevoel.
Ik heb wel geleerd goed te relativeren. Hier is hier en daar is daar. Als ik op Schiphol uitstap, ben ik in Nederland. Maar soms denk ik: waar gaat het helemaal over? Iedereen is opgewonden over die bankencrisis. Ik vind dat heel oninteressant. Als ik van vrienden hoor dat ze geld bij Icesave hadden gestald, voor een halve procent extra, moet ik eigenlijk lachen.
In mei zat ik bij Pauw & Witteman aan tafel, net terug van mijn missie naar Burma. Zit er een man tegenover me die een föhn op de markt had gebracht met Swarovski-steentjes erin. Dat is iets heel onwezenlijks. Maanden later beland ik in Congo vlakbij een vuurgevecht tussen regeringstroepen en rebellen van Laurent Nkunda, te midden van duizenden vluchtelingen. Iedereen rende voor zijn leven. De tranen liepen spontaan over mijn wangen, zoveel ellende. Over een schril contrast gesproken.”
U heeft een dochter van negen. Waarom zoekt u dat gevaar op?
„Het is een gecalculeerd risico. Ik neem een welbewuste beslissing om te gaan. Ik krijg van alle kanten informatie en advies wat te doen en soms, zoals in 2006 in Libanon en dit jaar in Congo, moet ik een paar dagen wachten met vertrek.”
En dan maakt u alsnog zo’n vuurgevecht mee. Dat is geen gecalculeerd risico.
„Absoluut wel. Alle ogen van de internationale gemeenschap waren gericht op dat stukje van de wereld. Een nieuw slagveld op die plek zou een mooi ondertekend en met een lint ingepakt brevet van onvermogen zijn van die internationale gemeenschap. We waren daar niet bang voor.
„Natuurlijk dreigt er op dit soort reizen altijd gevaar. Ik ben diabetespatiënt en dat maakt reizen extra lastig. Ik zit vast aan een insulinepomp waarvan het infuusgedeelte elke drie dagen vervangen moet worden. Ik moet ook constant in proberen te schatten hoeveel koolhydraten ik binnenkrijg. In veel landen heb ik geen idee wat er op mijn bord ligt, laat staan hoeveel koolhydraten erin zitten. In Congo is de organisatie waarmee wij samenwerken onlangs overvallen. Ze werden tot vijf keer toe gefouilleerd op kostbare bezittingen. Stel dat mij dat overkomt. Leg maar eens aan een doorsnee gedrogeerde kindsoldaat uit dat die pomp geen telefoon of mp3-speler is. Zonder insuline kan het binnen drie dagen afgelopen zijn met me.”
„Dat kleine meisje is natuurlijk heel belangrijk voor me. Ik voed haar alleen op, want de vader woont in Tibet. Het tempo dit jaar was moordend: Kenia, Georgië, Congo. En dan nu weer naar Kenia? Dat kan ik niet maken.”
Zegt zij dat zelf ook?
„Dat niet, maar wel: ’moet je nou alweer weg? Je hebt nooit tijd voor mij’. Dat is wel confronterend. Dan is Sinterklaas in het land en ben ik er niet op pakjesavond. Dat wil ik haar besparen. Daarbij maak ik bepaalde keuzes in mijn leven en als het fout gaat, betaalt zij de rekening.”
Waarom blijft u die levensgevaarlijke brandhaarden dan opzoeken?
„Die vraag stel ik mezelf natuurlijk ook geregeld. Het gevoel van ’mij overkomt niets’ is vrij sterk. Dat klinkt stom natuurlijk. Ik weet dat mijn missies gevaarlijk zijn. In Libanon bestond het gevaar dat ik op een mijn zou stappen, die krengen waren niet te zien. In Congo verzeilde ik tussen massa’s vluchtende mensen en optrekkende troepen van de regering.
Ik heb na al die jaren een groot vertrouwen in de organisaties ter plekke met wie wij samenwerken. Zij waarschuwen en adviseren mij wat te doen.”
Toch gaat het ook mis. In 2004 bent u door de autoriteiten in de Soedanese regio Darfur gearresteerd. U hing de doodstraf boven het hoofd.
„Ik werd met enkele journalisten opgepakt op verdenking van spionage. Ze hielden ons vijf dagen vast. Pas toen we een schuldbekentenis op video aflegden, kwamen we vrij. Achteraf realiseer je je dat we fouten hebben gemaakt. We waren ons onvoldoende bewust van de gevaren om ons heen. Waarschijnlijk werkte de tolk of de chauffeur ook voor de geheime dienst.
Het was heel beangstigend. Zo had een van ons een flesje zand meegenomen omdat zijn zoon een spreekbeurt over woestijnen wilde houden. Volgens de binnenlandse veiligheidsdienst was het een bodemmonster. Probeer dat maar eens te weerleggen. We schrokken ons rot.”
Wat leert u daarvan?
„Nog beter opletten. Naar Darfur ga ik nooit meer. Naar Somalië trouwens ook niet. Ik ben daar drie keer geweest, zeker vijftien jaar geleden. Drie keer ging het mis. De eerste keer werden we gewapend overvallen. De tweede keer belandden we in een schietpartij, dat was niet misselijk. Ik kwam de hulzen van de kogels laatst op zolder tegen tijdens het opruimen. De derde keer werd een lid van het medisch team van Memisa neergeschoten. Ook ik heb grenzen.”
Merkt u dochter iets van de risico’s op dergelijke reizen?
„Na Darfur was ze heel boos. Ze had een tabel getekend met de dagen dat ik zou wegblijven. Iedere dag streepte ze een vakje door. Toen ze de laatste inkleurde, was mama nog niet thuis. Oei. Ik heb na die missie een half jaar niet gereisd.”
Maar zelfs toen vertrok u weer. Vanwaar die volharding om mensen te helpen?
„Dat is mij met de paplepel ingegeven. Ik weet niet beter. Mijn moeder is 70, maar zet zich nog vol in voor alleenstaande hulpbehoevende ouderen. Ze doet de was en de boodschappen, maakt schoon. Ze is niet te stoppen. Mijn vader was van het geld geven, aan de paters en de nonnen. Ik doneer ook wel aan goede doelen, maar liever nog bezoek ik de plekken waar ik geld naartoe stuur om zelf de prioriteiten te kunnen bepalen.”
Het is voor uw stichting ook belangrijk dat u naar de frontlinie afreist, dat u enige bekendheid heeft. Een organisatie moet een gezicht hebben.
„Dat effect is er automatisch bijgekomen. Natuurlijk is het van belang dat mensen zien dat ik erbij ben. Media zijn belangrijk voor onze organisatie. Een ramp die niet wordt gezien, bestaat niet. Ik sta journalisten altijd te woord en als ik uitgenodigd word ga ik bijvoorbeeld naar Pauw & Witteman.”
De hulpindustrie krijgt tegenwoordig veel kritiek. Arm Afrika wordt geëxploiteerd, zeggen critici. Een klein leger aan acteurs en popsterren trekt van ramp naar ramp. Eind 2005 bezocht u Tsjaad met Ruud Gullit. Een marketingtruc. Is dat werkelijk nodig?
„Laten we eerlijk zijn: er is geen kip die geïnteresseerd is in Tineke Ceelen in Tsjaad, maar half Nederland kijkt graag naar Gullit in Tsjaad. Als het werkt, dan werkt het. We zouden wel gek zijn als we het niet doen. Het was trouwens een van de zwaarste reizen die ik heb gemaakt. Gullit heeft geen seconde geklaagd.
Op tv werd achteraf geroepen dat hij in de duurste hotels zou hebben gelogeerd. Daar heb ik hartelijk om moeten lachen. Er was daar namelijk helemaal geen hotel. We sliepen in tenten en het was gratis.”
In november opende het Internationale Documentaire Festival van Amsterdam met de film ’Enjoy Poverty’ van filmmaker Renzo Martens. Daarin hekelt hij de bemoeienis van het Westen met een land als Congo. De armoede is van de Afrikanen zelf, zegt hij. Zij moeten hun eigen uitgehongerde en stervende kinderen fotograferen om eraan te verdienen. Want anders doen de Westerse fotografen dat wel.
„Dat kan toch niet, zo’n walgelijke documentaire? Deze man overschrijdt elke ethische grens.”
Wat is het bezwaar?
„Om te beginnen de titel: Enjoy Poverty. Hij insinueert dat je kunt genieten van armoede. Walgelijk. Armoede is vies, armoede stinkt, armoede is weerzinwekkend.”
De filmmaker provoceert. Hij wil dat Afrikanen gebruik maken van het enige dat ze soms hebben: hun armoede.
„In zijn documentaire filmt hij een meisje dat sterft, met de bedoeling dat Afrikanen dat straks zelf op beeld vastleggen. Doodgaan is een moment om met waardigheid te bewaken. Daar gaat hij op een botte manier bovenop staan. Je ziet het rauwe verdriet van de moeder. Hij gunt haar geen privacy.
Ik kan daar niet tegen. Hij neemt het een organisatie als de onze kwalijk dat wij beelden maken van zo’n ramp. Wij moeten wel. Anders bestaat het niet en maken de mensen hier geen geld over. Daarbij insinueert deze filmmaker ook dat wie er ook profiteert van de hulpverlening bij zo’n ramp, het niet de slachtoffers zelf zijn. Wat denkt hij nou? Dat ik naar de buren stap voor een bijdrage aan mijn salaris?”
De hulpindustrie is niet heilig. Niet al het geld komt goed terecht. Daar heeft hij toch een punt?
„Het is makkelijk om te schieten op goede doelen. Wij werken in heel moeilijke, gevaarlijke en chaotische omstandigheden. Ingewikkelder kan het niet. Er gaan dingen fout. Ik stond erbij dat in Congo een deel van het brandhout dat wij hebben betaald door vluchtende mensen moest worden achtergelaten. Dat is waarschijnlijk in verkeerde handen gevallen. Helaas, dat had niet zo gemoeten.”
Als er zo over uw werk wordt gesproken, denkt u dan wel eens aan stoppen?
„Dat gevoel had ik onlangs nog. Ik las het boek van Linda Polman, ’De crisiskaravaan’. Het leest lekker weg hoor, ze kan wel schrijven. Ik zal er iets uit voorlezen.” Ceelen loop naar haar ’kabinet der ellende’, grijpt het boek van de stapel en slaat een willekeurige bladzijde open.
’Ons voorwiel tikte de bumper aan van de Land Cruiser van het internationale Rode Kruis. Meteen schoot het portierraampje aan de chauffeurszijde elektronisch naar beneden. Pas toch op, imbeciel, schreeuwde het blanke hoofd dat naar buiten kwam’.
Ceelen: „Het boek is aaneengeregen met dit soort incidenten. Het zal allemaal waar gebeurd zijn, maar Linda Polman maakt op deze manier een karikatuur van de noodhulpverlening. Toen ik het uit had, dacht ik: waar doe ik het allemaal voor? Ik laat mijn kind alleen, mijn suikerziekte ontspoort, ik ben veel vaker van huis dan verantwoord is en mijn reisjes zijn niet ongevaarlijk. Dan lees ik een boek waarin de indruk wordt gewekt dat wij hulpverleners van hotel naar hotel verkassen, een beetje chic lopen doen, ons verplaatsen in grote, comfortabele jeeps. Het is een bak gal die over je heen valt.”
Het boek is goed ontvangen.
„Ze maakt wel degelijk ook goede punten.”
Zoals?
„Het gebrek aan zelfreinigend vermogen binnen de sector. En de concurrentie die tussen de organisaties bestaat. Ik heb liever dat jij aan mij die euro geeft dan aan een ander. Face the facts. Maar door de brei aan incidenten schiet ze haar doel voorbij en en creëert ze een pertinent onjuist totaalbeeld en dat is jammer. De doorsnee lezer zal toch achterblijven met een gevoel dat er weinig deugt van die hele hulpverlening. Dat wij kapitalen uitgeven, ons naar luxe buffetten begeven in Land Cruisers, dat we met onze noodhulp de ellende in stand houden. Sterker nog: verergeren.”
Wat is dan de houvast om door te gaan?
„Als je door de kritiek heen kijkt, zie je dat het aantal conflicten in de wereld historisch laag is. We mogen hoopvol en trots naar de West-Afrikaanse landen kijken, bijvoorbeeld naar Liberia. In Kameroen is veel verbeterd. Vrijwel iedereen kan nu aidsremmers slikken. Vroeger ging je gewoon dood. Het percentage meisjes dat scholing krijgt, is enorm gegroeid. Op heel veel plekken is nu schoon drinkwater.
Waar ik mij aan vasthoud is de overtuiging dat wij met ons kleine clubje een verschil maken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.