*

 

PvdA schurkt met enige gêne tegen Geert en Rita aan

Hans Goslinga − 10/01/09, 00:00

opinie Vijf jaar na de VVD plaatst ook de PvdA de emancipatie van het individu boven de tolerantie ten opzichte van andere culturen of religies. In de resolutie over de integratiekwestie, waarover het partijcongres in maart moet beslissen, schrijft het PvdA-bestuur dat het recht op zelfbeschikking onvoorwaardelijk op nummer één staat.

De PvdA kiest altijd voor het individu, aldus dit stuk. Het is een kleine, maar wezenlijke stap die kan uitmonden in staatspaternalisme en beperking van de geestelijke vrijheid van minderheden die afwijken van de dominante cultuur.

Dat hoeft niet alleen moslims te treffen. De PvdA maakt in de resolutie duidelijk dat orthodox-protestantse ambtenaren die vanwege godsdienstige bezwaren weigeren homo’s te trouwen, niet meer op haar consideratie hoeven te rekenen. De partij respecteert in deze regeerperiode de coalitieafspraak met CDA en ChristenUnie om aan deze ambtenaren tegemoet te komen, maar zal een volgende keer zo’n afspraak niet meer maken.

De resolutie ademt sterk de sfeer van het oude sociaal-democratische adagium ‘Onverdeeld naar de openbare school’, het ideaal om kinderen van alle gezindten onder één onderwijsdak samen te brengen. De paradox van de Nederlandse geschiedenis is dat dit eenheidsstreven, in de negentiende eeuw uitgedragen door de liberalen, juist scherpe scheidslijnen in de samenleving en vervolgens in het politieke krachtenveld heeft getrokken.

Het antwoord op die segregatie (verzuiling) was de cultuur van tolerantie, die liberalen, socialisten, katholieken en protestanten in staat stelde, ondanks de verschillen, samen te werken. Deze tolerantie is, zoals de socioloog Ernest Zahn dertig jaar terug schreef, niet ‘als een fraaie bloem aan de inborst van een braaf volk ontsproten, maar het historische produkt van conflicten, de vrucht van bittere ervaringen’.

De PvdA wil volgens de resolutie het ontstaan van parallelle gemeenschappen binnen de Nederlandse samenleving een halt toe roepen onder het motto ‘niet naast elkaar, maar met elkaar’. Maar zij moet dus op een averechts effect bedacht zijn, dat ook de partij zelf kan raken. In de VVD heeft de, door Bolkestein geïnspireerde breuk met de tolerantiecultuur, diepe verdeeldheid en versplintering tot gevolg gehad, resulterend in de uittocht van Wilders en Verdonk en nieuwe concurrerende partijvorming op de rechterflank.

Het is de vraag of de samenbindende kracht van de PvdA sterker is dan die van de VVD. De partij gooit in de resolutie het anker uit bij de democratische rechtsstaat, maar geeft aan de rechten en verantwoordelijkheden die daarvan de grondslag zijn een geheel eigen invulling. Zo vindt de partij dat er geen sprake kan zijn van tolerantie tegenover imams die onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden preken, maar beschouwt ze het krenken en bespotten van religie als een onbetwistbaar recht: dat kan en mag in Nederland.

Voor zover de grondrechten een samenbindende kracht hebben, schuilt die vooral in de aanvaarding van de verscheidenheid. De wetgever heeft in deze rechten, anders dan de PvdA nu doet, bewust geen rangorde aangebracht. In laatste instantie is het aan de rechter in elk specifiek geval af te wegen welk belang prevaleert. Maar daaraan vooraf gaat de bijna dwingende uitnodiging aan de burgers om zelf wijs met de onderlinge verschillen om te gaan.

De VVD en de PvdA zetten in hun eigen rangorde de zelfbeschikking van het individu voorop, maar zijn gelijktijdig op zoek naar manieren om de geëmancipeerde burgers in het gareel te brengen en te bevoogden. Zo somt de PvdA in haar resolutie een aantal verschijnselen op ‘die wij in onze vrije maatschappij tolereren’: hoofddoekjes in de klas, kerkklokken die de zondagsdienst aankondigen, moskeeën met een opvallende architectuur, Sinterklaas en Zwarte Piet. Hier past volgens de partij een open houding, anders dan bij het dragen van de boerka of het schudden van handen, waarop confrontatie het gepaste antwoord is.

De fout die we nooit meer mogen maken, aldus de resolutie, is het inslikken van kritiek op culturen en religies omwille van de tolerantie. Het staat nergens uitdrukkelijk, maar tussen de regels schemert voortdurend de gedachte dat godsdienst toch een bedreigend fenomeen is, dat de emancipatie van burgers eerder in de weg staat dan helpt.

De PvdA gaat niet zover als Bolkestein, die religie het liefst volledig uit het publieke domein wilde bannen. In de jaren zeventig en tachtig wilden de sociaal-democraten dat ook. Het Kamerlid Van Otterloo heeft ooit voorgesteld het klokgelui op zondagochtend te verbieden, zoals partijgenoten van hem ijverden voor afschaffing van het randschrift ‘God zij met Ons’ op de gulden en het ambtsgebed. Maar die rigiditeit kent de PvdA van nu niet meer. Zij duldt het klokgelui op zondagochtend en vindt dat de scheiding tussen kerk en staat geen scheiding tussen politiek en religie inhoudt, zij het onder de zuinige motivering ‘dat religie voor veel mensen nu eenmaal een factor van belang is’.

De paradox van deze PvdA-visie is dat zij omwille van de vrijheid van het individu bij een paternalistisch conformisme uitkomt. Dat steunt op een eigen interpretatie van de democratische rechtsstaat, die bij de oorspronkelijke en de nieuwe bewoners tot een gemeenschappelijk gevoel van ‘Ons Nederland’ moet leiden. Met dit vage nationalisme en een omzichtig verpakte weerstand tegen religie, in het bijzonder de islam, schurkt de partij, ongemakkelijk en misschien zelfs bevangen door enige gêne, tegen Geert Wilders en Rita Verdonk aan. Het lijkt op een nieuwe doorbraak, maar dan wel de verkeerde kant op.

mailIcon print |