De financiële crisis laat zien dat de westerse wereld tegen een muur is aangelopen. We gaan een nieuwe ordening tegemoet, met gevolgen voor werk, consumptie en machtsverhoudingen. Trouw belicht die nieuwe toekomst. Vandaag deel 5 en slot: kan Afrika het modelcontinent voor een beter milieu worden?
Uit het niets zijn ze altijd en overal bereikbaar. Voor veel Afrikanen is het mobieltje sinds een paar jaar een onmisbaar bezit geworden. Zonder ooit een vast toestel in huis te hebben gehad, bellen zij direct met de nieuwste technologie.
Met de groeiende energiebehoefte van Afrika, rijst de vraag of deze truc groots herhaald kan worden. Kan het continent in een keer de schoonste economie ter wereld ontwikkelen? Waarom nog beginnen aan kolencentrales als windmolens een optie zijn? Waarom geen waterkracht en zonnepanelen in plaats van olie en gas? En waarom niet lokaal energie opwekken door mest te vergassen?
Ten zuiden van de Sahara hebben 550 miljoen Afrikanen geen toegang tot elektriciteit. Dat is 74 procent van de bevolking. Biomassa is de belangrijkste energiebron voor het continent, in 81 procent van de totale energiebehoefte wordt voorzien met brandhout, houtskool, mestkoeken en oogstafval. De Afrikaan moet het doen met kaarsen, vervuilende kerosinelampen, batterijen, accu’s, dure dieselgeneratoren en onbetrouwbare lpg-installaties.
Is het mogelijk om, net als bij telefonie, de fase van grootschalige aanleg van elektriciteitsnetwerken over te slaan en direct over te gaan tot lokale opwekking van duurzame energie? En daarbij gebruik te maken van mest, waterkracht, aardwarmte, zon en wind? Uitsluiting van kolen en olie kan mooi een bijdrage leveren aan een schoner milieu. Omschakeling naar duurzame energie spaart per jaar ook de levens van 400.000 mensen die volgens de Wereldgezondheidsorganisatie sterven aan longziekten als gevolg van inademen van kwalijke dampen.
Om schone en veilige energie in Afrika te stimuleren, heeft de Nederlandse minister Bert Koenders (ontwikkelingssamenwerking) 500 miljoen euro uitgetrokken. Tien miljoen euro daarvan wordt gestoken in de stichting Foundation Rural Energy Services (FRES), die energiemaatschappij Nuon in 2004 oprichtte. „De komst van elektriciteit betekent veel voor de ontwikkeling en economische kansen van dorpen”, zegt FRES-voorzitter Annemarie Goedmakers, voormalig directeur duurzame energie bij Nuon. „In de tropen, waar het om zes uur ’s avonds donker wordt, verlengt de komst van licht de werkdag. De middenstand wordt versterkt, omdat bij redelijke netsterkte ook naaimachine en lasapparaten gebruikt kunnen worden.”
FRES is een van de vele voorbeelden van kleinschalige, lokale energieprojecten in Afrika. Met een zonnecentrale bedient de stichting 500 huishoudens en kleine bedrijven in het Malinese dorpje Kimparana. De Nederlandse en Malinese overheid investeerden samen met Nuon en FRES 800.000 euro in het initiatief.
Kenmerkend voor vrijwel alle projecten is dat, anders dan in het verleden, aansluiting wordt gezocht bij de markt en niet meer met giften of donaties wordt gewerkt. De werkwijze van FRES, het oprichten van commerciële zonne-energiebedrijfjes, is een goed voorbeeld. De stichting fungeert als holding die als aandeelhouder betrokken blijft. De kleine energiebedrijven worden gerund door lokaal personeel. Nieuwe bedrijven zet FRES momenteel op in Burkina Faso en Oeganda.
Volgens Goedmakers is het niet ondenkbaar dat Afrika zich ontwikkelt tot het eerste continent waar duurzame energie de standaard is. Dan moet wel aan een aantal vereisten zijn voldaan. „Het probleem is dat elektriciteitsbedrijven in Afrika veelal in overheidshanden zijn. De prijs die de klant betaalt, heeft weinig te maken met de werkelijke kosten en is meer een politiek acceptabele prijs. Voor de industrie die gestimuleerd moet worden en stedelingen geldt een lage prijs, ambassades en blanke wijken betalen veel. Energiebedrijven zijn een instrument om steun bij de verkiezingen te krijgen. Investeringen kunnen zo niet worden terugverdiend en blijven daarom uit. Dat is een rem op meer stroomaansluitingen, want iedere klant extra betekent meer verlies.” Die uitschakeling van het marktmechanisme wordt als grootste obstakel gezien voor de opbouw van een gezonde energiesector in Afrika.
De Afrikaan zal moeten betalen voor zijn energie, vindt ook Wim van Nes, coördinator biogas voor Afrika en Azië bij ontwikkelingsorganisatie SNV. Dat biogas in Afrika nooit van de grond gekomen is, wijt hij aan het feit dat veel apparatuur werd weggegeven. Er is geen aansluiting gezocht bij de markt, daarbij geruggesteund door overheidsplannen.
In Azië heeft de SNV in een aantal landen biogasinstallaties geïntroduceerd en ze probeert de successen daar te dupliceren in Afrika. „In theorie zijn 20 miljoen huishoudens in Afrika geschikt voor een biogasinstallatie. Die huishoudens moeten per dag minimaal 25 kilo mest kunnen verzamelen. Dat betekent dat de nomadische veeteelt afvalt”, concludeert Van Nes.
Die theoretisch beredeneerde 20 miljoen huishoudens zullen zeker niet de eerste decennia aan de beurt zijn. Van Nes denkt, en dan is hij optimistisch, dat 2 miljoen huishoudens met een gasinstallatie op basis van mest in 2020 haalbaar is.
Het grote verschil tussen Azië en Afrika is dat de gasinstallatie in Afrika 750 euro kost, tegen 300 euro in bijvoorbeeld Nepal. De verklaring voor het prijsverschil? Van Nes: „In Afrika is alles duurder, van cement tot arbeid.”
Gelet op de slechte ervaringen met weggeven in Afrika, zullen huishoudens zelf moeten bijdragen. Ze kunnen een subsidie krijgen van 35 tot 40 procent. Dat drukt de prijs naar 500 euro. Als ze zelf materiaal verzamelen voor de bouw van een ondergrondse tank en een koepel waarin het gas wordt opgevangen, dan daalt de prijs verder. „Maar de rest wordt of cash afgerekend of moet geleend worden”, zegt Van Nes streng.
Voor dat geld krijgen huishoudens dan ook een schone brandstof waarop ze kunnen koken en een gaslamp kan branden. De mest die wordt gebruikt voor de installatie is van een betere kwaliteit, wanneer die weer uit de tank wordt gehaald. Dat draagt bij aan het verrijken van de vaak verarmde Afrikaanse landbouwgrond.
Een verhoogde opbrengst van de grond is een nuttig neveneffect. Hier raken de voedselcrisis en de energiecrisis elkaar. Voorstanders van energieprojecten in Afrika wijzen erop dat met de komst van gas veel tijd vrijkomt: er hoeft niet de hele dag hout gesprokkeld te worden. Of erger: hout gekapt moet worden, waardoor de ontbossing voortwoekert en de verwoestijning toeslaat.
De druk op de toch al geringe goede landbouwgrond wordt door die verwoestijning alleen maar groter. Volgens de aanhangers van de meer economische conflicttheorieën levert die druk spanningen en burgeroorlogen op.
Het idee van mestvergisting kan in vrijwel elk Afrikaans land worden uitgerold, mits de koeien voldoende mest leveren. Die Ghanese koe, die hooguit 2 kilo per dag poept, moet toch echt beter zijn best doen. De yak uit Nepal vult in zijn eentje al een vergistingstank. Van Nes verwacht zeker in zeven landen aan de slag te kunnen. In Rwanda zijn de eerste gaskoepels gemaakt. Ethiopië, Tanzania, Kenia, Oeganda, Senegal en Burkina Faso staan op de lijst.
Ook in de opzet van Aeolus Associated, ontwikkelaar van windmolenparken en alleen actief in Afrika, is aansluiten bij de markt de leidraad. Economische afwegingen gaan boven charitas. Aeolus draait deels op de verkoop van emissierechten uit zijn Afrikaanse windprojecten. Die emissierechten zijn een uitwerking van het Kyoto-protocol, de spelregels voor het terugdringen van broeikasgassen. Dat levert 5 tot 10 procent van de investeringskosten op. „Het is heel simpel”, zegt Aeolus-directeur Leo van Gastel. „Grote westerse energieconcerns maken een afweging. Wat is goedkoper, emissies terugdringen met technologie of door rechten aan te kopen bij wijze van investering in buitenlandse projecten? Dan kom je op het laatste uit.”
Aeolus werkt over het hele Afrikaanse continent aan de bouw van windmolenparken, met een capaciteit tussen de 50 en 500 megawatt. De nu verrijzende 102 windmolens in Namibië zijn goed voor een capaciteit van 92 megawatt, een vijfde van de elektriciteitsconsumptie van Namibië. Het bedrijf kiest er bewust voor om alleen actief te zijn op de Afrikaanse markt. „In Europa, China en India zijn de marktspelers al goed geëquipeerd,” zegt Van Gastel. „In Afrika bestaat nauwelijks een markt voor groene energie, terwijl er grote kansen liggen. Ik geloof dat schone energie daar een grote rol in gaat spelen.”
Volgens Van Gastel is de winning van mineralen een belangrijke stimulans voor de totstandkoming van een Afrikaans energienetwerk. Daarin verschilt hij van FRES en SNV, die vooral vanuit huishoudens en dorpen redeneren. „Als in Namibië bijvoorbeeld 250 megawatt stroom nodig is en er wordt een uraniummijn geopend, dan verdubbelt de lokale energiebehoefte in één keer .”
Van Gastel gelooft dat schone energie een duurzame bijdrage levert aan de totale ontwikkeling van het continent. „Vroeger bouwden we een ziekenhuis, gingen vrolijk naar huis en tien jaar later bestond het hospitaal niet meer. Nu zorgen we ervoor dat iets blijvends wordt opgezet.”
Een groot voordeel van ondernemen in Afrika vindt Van Gastel dat het systeem top down werkt. „Als een regering steun verleent aan een project kan het direct doorgang vinden. In Europa hangt alles van bureaucratie aan elkaar en gaat er soms acht jaar overheen voor een turbinepark er daadwerkelijk staat. Aeolus zoekt lokale partners die gepokt en gemazeld zijn. Zij kennen de top van de overheid, zodat een project lokaal wordt ingebed. Daarom kunnen wij hier in twee jaar een windmolenpark bouwen.”
Voor decentrale energieopwekking uit waterkracht, waar Aeolus zich naast biodieselplantages en windstroom mee bezighoudt, ziet Van Gastel kansen. „Een goede optie is om gebruik te maken van kleine generatoren (2 tot 20 megawatt) in zijkanalen, zonder dat een grote dam gebouwd hoeft te worden. Omdat de meeste mensen in dorpen langs het water wonen, schept dat veel werkgelegenheid.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.