Een lik-op-stukbeleid tegen jonge vandalen is moeilijk uit te voeren. Zet in op versnelling van rechtszaken.
Wat is er op tegen om vandalen, relschoppers, raddraaiers zo snel mogelijk ’lik op stuk geven’? Niets, integendeel. Het gaat meestal om nog jonge mensen. En onderzoek wijst uit dat het juist bij jongeren werkt om hen zo snel mogelijk te confronteren met de gevolgen van hun daad. Maar welbeschouwd lukt het in de praktijk niet om juist in deze gevallen supersnelrecht toe te passen. Er valt evenwel nog veel te winnen door versnelling van strafzaken.
De overheid schiet te kort als er niet snel en duidelijk wordt gereageerd op het in brand steken van scholen en auto’s – vernielingen oplopend tot miljoenen euro’s, met alle frustraties voor de gedupeerden. Vooral rond oud en nieuw en voetbalwedstrijden lijkt het wel oorlog.
Hier past meteen een kanttekening. Tegen straatterreur moet duidelijk worden opgetreden. Het daartegen in te zetten geweld van de overheid moet proportioneel blijven. Maar dat niet alleen – steeds opnieuw moet een analyse worden gemaakt van achtergronden en mogelijke oorzaken. Er is kennelijk bij een behoorlijke groep jonge mensen sprake van vervreemding van de samenleving. Dat is niet nieuw. Maar het vraagt wel steeds opnieuw een antwoord van beleidsmakers. Straffen alleen helpt niet. Nu niet, nooit.
Wel zo snel mogelijk voor de strafrechter dus. Binnen 48 uur is dan inderdaad ’supersnel’. Er is geen rechtsregel die zich daartegen verzet. Er hebben inderdaad in de grote steden supersnelrechtzittingen plaatsgevonden en daarbij zijn straffen opgelegd. Er is echter wel een regel van ’goede procesorde’ die verhindert dat veel strafzaken zo snel voor de rechter kunnen komen. Het is niet voor niets dat de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak zich kritisch heeft opgesteld.
Allereerst zijn er praktische problemen. Een rechtzitting begint met papierwerk. Er is een dossier op basis waarvan de rechter, de officier van justitie én de verdachte (en diens raadsman/vrouw) met elkaar spreken. Iedereen moet over hetzelfde materiaal beschikken – anders is er geen sprake van een ’eerlijk proces’. Dat materiaal bestaat voor een zeer groot deel uit de processen-verbaal van de politie. Wat is door de opsporingsambtenaren geconstateerd? Onder welke omstandigheden? Wat verklaart de verdachte bij zijn aanhouding? Kan het opsporingsapparaat zo snel – en toch zorgvuldig – een dossier in elkaar timmeren? En dat ook nog tijdig en compleet aan alle betrokkenen doorzenden?
Maar er speelt nog meer . Snelrecht leent zich goed voor een bekennende verdachte. Dan is er in het dossier niet meer nodig dan een proces-verbaal en een bekennende verklaring, liefst op de zitting herhaald. Maar niet elke verdachte bekent of bekent volledig. En zelfs bij een bekentenis is de rol niet altijd even duidelijk. Denk aan delicten in groepsverband gepleegd. Daarvan zal vaak sprake zijn. Er is dan meer onderzoek nodig, het horen van getuigen. Soms zal ook meer informatie over de persoon van de verdachte nodig zijn. Dat bekent dat bij supersnelrecht de rechter nogal wat zaken zal moeten aanhouden voor dat nadere onderzoek. En is dat zo efficiënt?
Er is ook het probleem van een goede verdediging. Een verdachte heeft recht op een advocaat. En deze moet met de cliënt kunnen spreken en het dossier bestuderen.
Bij minderjarigen is er helemaal een probleem. In dat geval is er altijd sprake van een (toegewezen) advocaat. Maar ook de ouders moeten voor de zitting worden opgeroepen en dat moet zorgvuldig gebeuren. Meestal moet de Raad voor de Kinderbescherming worden ingelicht en gevraagd om rapportage. Dat leidt ertoe dat supersnelrecht (bij de strafrechter binnen 48 uur) niet gaat werken voor de groep die het meest ’gebaat’ is bij een lik-op-stuk beleid.
Ook het slachtoffer van het mogelijke misdrijf (de gemeente waar een bushokje is vernield of de eigenaar van de uitgebrande auto) heeft een probleem. De wet stelt het slachtoffer in staat om tijdens de strafzitting een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Binnen 48 uur ook nog het slachtoffer oproepen en van deze verwachten dat al een opgave van de geleden schade kan worden gegeven, dat lijkt teveel gevraagd .
Kortom, het aantal zaken dat zich leent voor afdoening binnen 48 uur, zal zeer beperkt zijn. Het Openbaar Ministerie doet er verstandig aan om de hand niet te overspelen en zeer terughoudend te zijn met dit instrument. Van de rechtbanken wordt gevraagd om voor dit type zittingen vooral de zeer ervaren politierechters in te zetten die niet aarzelen zaken aan te houden waar nog onvoldoende onderzoek is gedaan. En gelukkig is er altijd nog de mogelijkheid van hoger beroep.
De samenleving heeft op termijn meer baat bij een zo snel mogelijke afdoening van strafzaken. Dat klinkt weinig spectaculair en is zeker al onderdeel van beleid. Maar op dat punt valt nog wel winst te boeken. Ik zie nog heel veel zaken – ook eenvoudige zaken – die erg lang op de plank zijn blijven liggen. De afdoening van een eenvoudige strafzaak binnen drie maanden zou al prachtig zijn.
Supersnel kan, maar met veel inzet, en zeer beperkt. Punt is dat het te langzaam gaat in het merendeel van de zaken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.