*

 

Waarom is stiekem doen zo goed?

Ger Groot − 08/01/09, 00:00

‘Martelscènes rukken op in mainstreamfilms’, constateerde filmcritica Floortje Smit vorige week op het website-portal omroep.nl. Steeds meer wordt er in grote bioscoopfilms grof sadisme getoond, met de almaar aangroeiende reeks Saw-films als twijfelachtig hoogtepunt.

Zelfs in familiefilms „doen mensen elkaar de meest afschuwelijke dingen aan”, schrijft Floortje Smit. „Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.”

Over de vraag of het zien van geweld ook leidt tot het uitoefenen van geweld is tot vervelens toe gediscussieerd. Toch begint de overtuiging dat fictie en werkelijkheid niets met elkaar van doen hebben en dat kijken nog geen nadoen is, voorzichtig aan te wankelen.

Mensen zijn na-apers: dat antropologische inzicht wordt inmiddels door weinigen meer bestreden. Mensen met kinderen wisten dat al langer, want ze zien die ’mimesis’ dagelijks om zich heen. En voor volwassenen is het niet anders. Computerbezitters, thuiskoks en modebewuste types weten ook dàt maar al te goed.

En de film- en tv-kijkers? Laat ik alleen voor mijzelf spreken: nadat ik jarenlang voor mijn ogen aantrekkelijke acteurs en actrices opgeruimd had zien vreemdgaan – ’om het leven spannend te houden’ – betrapte ik mijzelf onwillekeurig op de verleiding om zelf misschien ook eens een keertje...

Sindsdien geloof ik niet zoveel meer van de strikte scheiding tussen fictie en werkelijkheid. Dat is niet erg, zolang de getoonde ondeugden die een film of tv-serie nu juist zo lekker maken maar niet ongemerkt uitmonden in een soort goede raad. Ieder doet het tenslotte, waarom jij niet – en daar gaat de deugdzame burger al achter zijn ’mimetische begeerte’ aan.

Niet over geweld maar over pornografie is inmiddels in Nederland een fikse discussie losgebarsten. Sinds die een kleine dertig jaar geleden werd vrijgegeven, is ze de openbare ruimte steeds meer gaan bepalen. Dat was bevrijdend en het paste goed in het leerstuk van de ontvoogding van de burger.

En laten we de situatie niet dramatiseren. Een Sodom en Gomorra is Nederland nog bij lange na niet. Maar het feit dat publieke erotiek steeds normaler is geworden, heeft wel tot een seksuele onachtzaamheid geleid die het evenwicht niet altijd ten goede is gekomen.

Tegen het einde van de jaren zeventig heeft de toenmalige minister van justitie Van Agt nog geprobeerd daartegen een dam op te werpen. Hij bepaalde dat pornofilms slechts mochten worden vertoond in bioscopen met ten hoogste 49 stoelen. Daar is hartelijk om gelachen en veel heeft het niet uitgehaald. Maar inmiddels denk ik dat mijn spot van toen wat te vroeg kwam.

Natuurlijk, wie pornografie wil zien, kan haar zien. Dat was al lang vóór van Agt zo en zal altijd zo blijven. Maar diens machteloze wetsvoorstel wilde daaraan niet zonder meer tegemoet komen. Het drukte uit dat pornoconsumptie misschien wel heel menselijk is, maar daarmee nog niet zo ’normaal’ dat het van de weeromstuit de norm kon worden.

Het genot moest een beetje stiekem zijn en dat had twee voordelen. De pornobioscoop werd er vanzelf al zo opwindend door dat de beelden niet voortdurend nóg extremer hoefden te worden. En de genotszoeker kreeg, juist door de heimelijkheid, in één klap ook het besef mee dat het gezochte genot níet de ’gewoonste zaak van de wereld’ was.

Films als ’Saw’ zijn helaas niet meer de wereld uit te krijgen. Maar soms droom ik van de 49 stoelen van Van Agt. En (in dit dvd-tijdperk) van de deugdzame hypocrisie die de ’verkoop onder de toonbank’ was. Waarschijnlijk zou door zo'n drempel geen mens minder kijken – maar ’gewoon’ en onschuldig zou het kijkgenot niet meer zijn. Want normaal zijn foltering en sadisme niet. Ook niet als kijkspel. Nooit.

mailIcon print |