Leden van het OM die een blunder begaan zijn bevreesd voor bestraffing. En zo hoort het ook.
Uit ’De Staat van het Recht anno 2008’, die Trouw deze week uitbracht blijkt dat ten opzichte van vijf jaar geleden het vertrouwen in de manier waarop de misdaad in Nederland wordt bestreden licht is gegroeid. Dat is opmerkelijk omdat juist in deze periode de Schiedammer parkmoord de feilbaarheid van het strafrechtelijk systeem pijnlijk hard heeft bloot gelegd. Maar het vertrouwen in de misdaadbestrijding is al jaren dusdanig laag dat zelfs deze missers – de ergste die er zijn, namelijk de veroordeling van onschuldigen – er kennelijk niet meer toe doen.
Dat het Openbaar Ministerie (OM) er jaar in jaar uit in slaagt om op soepele wijze meer dan 250.000 misdrijfzaken te verwerken, maakt geen indruk. Het beeld wordt bepaald door – ook in absolute zin – een klein aantal zaken. De focus van de media en de politiek is nu eenmaal meer gericht op justitiële missers dan op justitiële successen. Goed nieuws is geen nieuws. Daarmee is niet gezegd dat wat niet deugt, niet zou mogen worden uitgelicht. Dat moet juist wel gebeuren. Maar meer rekenschap over de wijze waarop men dat doet, zou kunnen helpen.
De Amsterdamse hoogleraar communicatiewetenschap Jan Kleinnijenhuis liet zich onlangs in NRC Handelsblad in vergelijkbare zin kritisch uit over de rol van de media tijdens de kredietcrisis. Hij vond die berichtgeving af en toe te emotioneel. Daarmee droegen de media bij aan een versnelling van de negatieve tendensen. Het OM lijkt met eenzelfde fenomeen te worstelen. Uit de enquête blijkt dat ook de activiteiten van burgerspeurders het beeld van het OM niet positief beïnvloeden. De meerderheid van de ondervraagden (59 procent) meent dat burgerspeurders als Maurice de Hond en Peter R. de Vries juist laten zien dat justitie haar werk niet goed doen. Ook hier geldt weer dat een relatief klein aantal gevallen het beeld bepalen. Dat de burgerspeurders volstrekt vrij zijn in de selectie van de door hen te onderzoeken zaken, dat zij bij dat onderzoek niet of nauwelijks zijn gebonden aan wettelijke voorschriften, dat wij niet weten hoe vaak zíj tevergeefs in een zaak zijn gedoken – met onopgeloste zaken trek je nu eenmaal geen kijkers – doet kennelijk niet ter zake.
Wat hier allemaal ook van zij, gelet op het keiharde gegeven dat justitiële missers meer aandacht trekken dan justitiële successen, kan er niet voldoende energie worden gestoken in de kwaliteit van de opsporing en de vervolging. Naar aanleiding van de Schiedammer parkmoord is die aandacht vooral gericht op zware zaken. Dat is prima, zolang de minder zware zaken niet uit het oog worden verloren. De wijze waarop het OM woninginbraken, winkeldiefstallen en mishandelingen afdoet, is immers mede bepalend voor het vertrouwen in justitie. Dat wordt wellicht minder breed uitgemeten in de pers, maar dáár wordt wel over gesproken op feestjes en partijen.
Volgens de helft van de ondervraagden (54 procent) zouden de rechterlijke macht en politiemensen moeten worden gestraft wanneer zij bij het strafrechtelijk onderzoek of bij de rechtszaak fouten maken. Kennelijk bestaat het beeld dat dit nu nooit aan de orde is. Toch is dat – althans bij het OM – wel het geval. Het komt voor dat leden van het OM individueel worden berispt en overgeplaatst naar aanleiding van door hen gemaakte fouten. Vaker komt het voor dat de ’bestraffing’ plaatsvindt in de strafzaak zelf, variërend van een lagere strafoplegging tot zo heel nu en dan een beëindiging van de strafzaak door een niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie. De effecten van dit soort ’bestraffingen’ op individuele leden van het OM moeten niet worden onderschat. Zij ervaren deze werkelijk als venijnige tikken op de vingers. Soms ook hebben zij van die tikken nog last bij een nieuwe stap in hun ambtelijke carrière.
Het lijkt mij niet aangewezen en zelfs onverstandig om de huidige praktijk van bestraffing aan te scherpen. Opsporing en vervolging, en in het bijzonder het strafrechtelijk bewijsrecht, is geen eenvoudige invuloefening. Het is een voortdurend wikken en wegen van factoren, waarbij de kans is ingebakken dat de één tot een andere afweging komt dan de ander. Een Barbertje-moet-hangen-cultuur zou binnen een dergelijk systeem wel eens funest kunnen blijken te zijn voor de slagvaardigheid van de opsporing. Daar is niemand mee gediend. Dat ligt anders bij opzettelijke of door grove onachtzaamheid begane missers. Die moeten individuele consequenties kunnen hebben. Daar mag geen onduidelijkheid over bestaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.