opinie Er is weinig waarover ik me zo kan opwinden als wegpiraterij: bumperkleven, rechts inhalen. Het haalt het allerlelijkste in mij boven.
Soms wens ik dat ik zo’n wegpiraat even later op z’n kop in het weiland zie liggen. Een enkele keer noteer ik zelfs het kenteken om hem tot aan het einde der aarde te achtervolgen, en het minste is wel dat-ie een paar kilometer verderop, door een agent aangehouden, langs de weg staat en een vette bekeuring krijgt. Zelf ben ik meer van de pekelzonden, iets te hard rijden, met je fiets door het rode licht, het mag geen naam hebben.
Ik sluit niet uit dat mijn woede op de ware wegpiraat mede gebaseerd is op een onderdrukte vorm van jaloezie. Jij staat netjes in de file, maar zo’n verkeersdelinquent durft je gewoon over de inhaalstrook achter zich te laten en rijdt fluitend naar huis. Het is bitter. Verkeerswoede, zoals ik het voor mijzelf noem, is een welvaartsverschijnsel. Vroeger kon je je bij de kruidenier of slager opwinden omdat iemand voordrong, maar dat verschijnsel wordt met al die supermarkten en winkelketens steeds zeldzamer, de querulant moet inmiddels in het verkeer aan zijn gerief komen. Hoe welvarender een land, hoe erger zulke wegpiraterij steekt.
In derdewereldlanden bijvoorbeeld malen ze er volgens mij niet veel om, integendeel, in bijvoorbeeld India of Egypte lijkt het eerder een deugd om het overige verkeer uit te dagen en te schofferen en maar te draaien en te keren als je er zin in hebt: het geclaxonneer waarmee dat alles gepaard gaat, heeft zelfs wel iets weg van een collectieve vreugde-uitbarsting, een demonstratie van ’s lands ontembare dynamiek. Het zou me dan ook niet verbazen dat Nederlandse wegpiraten zich in oorlogstijd juist als helden zouden ontpoppen: roekeloos, avontuurlijk. Dat voedt mijn woede natuurlijk alleen maar, ik voel me eigenlijk laf, een kleine man. Toch steekt er ook een zeker welbehagen in mijn woede over de wegpiraat. Ik weet immers niks van hem, hij zit lekker ongekend en gehaat in zijn Faraday-kooitje.
Ik kan oordelen zonder zijn persoonlijke omstandigheden erbij te betrekken. Ik zag een keer een uitzending op tv waarin een snelheidsmaniak door de politie van de weg gehaald werd, waar bleek dat hij met zijn hoogzwangere vrouw, die al twee keer een miskraam had gehad, op weg was naar het ziekenhuis om te bevallen. Dat moet natuurlijk niet. Zodra er begrip binnensluipt, zakt de adrenaline en verschrompelt de woede als een lekke ballon.
Soms, thuis, ver weg van alle verkeer, snap ik het allemaal. Dan probeer ik te leven zonder alles almaar te taxeren, af of goed te keuren. Maar zodra er medemensen in beeld komen, met al hun onpeilbare motieven en impulsen, wordt dat een onmenselijke opgave. Nietzsche (lees hem vooral in de file!) wist het: ’We zijn van meet af aan onlogische en dus onrechtvaardige wezens en kunnen dit inzien; dit is een van de grootste en meest onoplosbare disharmonieën van het bestaan’. Maar het blijft wijsheid uit de leunstoel, niet van de weg.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.