Een oorlog verslaan is al lastig, laat staan als je geen toegang hebt tot de brandhaard. Correspondenten die het nieuws over Gaza moeten brengen, worden door Israël buitengesloten. Zij zijn voor hun informatie afhankelijk van telefoontjes met lokale contacten. En die moeten op hun beurt eerst maar eens zien te overleven.
Eva Bartlett zat in het Sjoeroek-gebouw in Gazastad, toen dat onder vuur werd genomen door een Israëlische tank. Het is een hoog gebouw dat onder meer kantoren van internationale media huisvest, zoals het persbureau Reuters. „Ik had”, zo vertelt ze in een telefoongesprek uit Gaza, „net een interview gegeven aan Russia-today, toen het gebouw begon te trillen. We raakten in paniek, en renden eigenlijk maar heen en weer.” Bartlett hoort bij een groep van activisten die strijdt (streed) tegen de Israëlische blokkade van de Gazastrook. Deze oorlogsdagen rijdt ze mee met ambulances die volgens haar bewust door Israël onder vuur worden genomen. „Er zijn er al zeven chauffeurs gedood.”
Ze kan niet met zekerheid zeggen of het Sjoeroek-gebouw doelwit was omdat er media zitten. Zeker is wel dat Israël de media bewust uit de Gazastrook weert. Naar schatting 400 tot 600 buitenlandse correspondenten ’verslaan’ de oorlog in de Gaza, deels journalisten die in de regio zijn gestationeerd, deels ingevlogen. De buitenlandse ploegen zitten nu al voor de elfde dag op heuveltjes in Israël nabij de Gazastrook. Hun camera’s zijn van verre gericht op de nauwe kuststrook, erin mogen ze niet.
Israël sloot al twee maanden geleden de grenzen voor de media. Het Hooggerechtshof beval het leger om ten minste een klein aantal toe te laten. Kort daarop brak de oorlog uit en nog altijd houdt Israël de media aan het lijntje, ’omdat het te gevaarlijk is’. Gisteren kreeg de vereniging van buitenlandse correspondenten in Israël te horen, dat Hamas de toegangswegen met mijnen zou hebben bezaaid. Het is onmogelijk om zo’n bericht te verifiëren.
Het weren van de media en de ’oorlogsmist’ zijn onderdeel van het beleid. Of zoals het hoofd van het regeringsperscentrum onlangs op tv verklaarde: „Laat ze maar rapporteren over de slachtoffers aan onze kant”.
Vaste buitenlandse correspondenten zitten er niet in de Gazastrook. Wat er nog zat, vertrok na de ontvoering van een BBC-journalist. De internationale media werken er veelal met lokale medewerkers die informatie aanleveren, of de correspondent helpen als die vanuit Israël of een ander land, ’op reportage’ komt. Op dit moment zijn het die Palestijnse medewerkers die informatie en materiaal leveren, om beelden uit de Gazastrook de wereld in te sturen. Maar, behalve dat zij na twaalf dagen totaal uitgeput zijn, zijn ook hun mogelijkheden beperkt. Velen slapen op kantoor en kunnen nauwelijks de straat op.
Trouw-medewerkster Soehair Karam, vandaag met een verslag op de voorpagina, zit inmiddels thuis. Ze heeft geen stroom, geen verwarming, het voedsel raakt op, en rondom raast en klinkt het oorlogsgeweld. Voor het nieuws is ook zij afhankelijk van de telefoongesprekken met familie en vrienden en van het transistorradiootje waarmee ze naar de lokale zenders en de BBC luistert.
Uw verslaggeefster in Tel Aviv zoekt deze dagen haar heil in telefoongesprekken met plaatselijke contacten in de Gazastrook (het telefoonnet staat al dagen op instorten) en het schrijven van achtergrondartikelen. Het is een bekend journalistiek gezegde dat tv vaak de waan van de dag brengt, maar ook dat honderd achtergrondverhalen niet opwegen tegen tv-beelden. De beelden van de verwoestingen en doden in Gaza overschrijden allang die waan van de dag; ze weerspiegelen de waanzin van oorlog.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.